metagenics
"Wij zijn overlevingsmachines, robotvoertuigen welke blind geprogrammeerd zijn om de egoïstische moleculen, genen genoemd, te behouden. Dit zegt Richard Dawkins in The Selfish Gene. Zijn egoïstische gentheorie, zo merkte hij in 1989 op, "is een schoolvoorbeeld geworden van orthodoxie," omdat het slechts "een logische uitwas is van het orthodoxe neo-Darwinisme, maar dan uitgedrukt als een nieuw beeld."

Het beeld is misleidend. Dawkins gelooft niet letterlijk dat genen egoïstische entiteiten zijn met een wil om zichzelf te repliceren. Als dat zo was, zouden ze als bezielende zielen zijn. In de Darwinistische wereld waarin Dawkins leeft, zijn genen geen zielen, maar slechts moleculen geregeerd door de deterministische wetten van de scheikunde. En zij zijn het resultaat van een miljoenen jaren durende reeks chemische ongelukken, beginnend met het eerste zichzelf replicerende eiwit.

Ondanks de arrogante beweringen van wetenschappers blijft de functie van genen uiterst mysterieus - en overschat. Als genen deden wat de Dawkinsen van deze wereld ons vertellen, zouden wij voor 99% identiek zijn aan chimpansees. Dat zijn we niet. Op het chemische niveau misschien, maar wij zijn geen chemische wezens. Wij zijn spirituele wezens. Het is duidelijk dat de hardware van de genetica de totaliteit van onze aangeboren voorouderlijke erfenis niet kan verklaren.

Vroeger, voordat men kennis had van DNA, duidde men de spirituele kenmerken die van generatie op generatie overgaan aan met "bloed". De idee is dat wij stamboomwezens zijn, geestelijk zowel als lichamelijk. Hoe werkt dat? Hebben wij een voorouderlijke of een raciale collectieve ziel? Hoe verklaren "bloed" of "genen" het gevoel van verwantschap dat de basis vormt van organische samenlevingen - wat Ludwig Gumplowicz het "syngenisch gevoel" noemde?

Door de laatste jaren te lezen over blanke voorstanders en "rassenrealisme", ook op deze site, heb ik veel geleerd over al hetgeen misleidend is in liberale ideologieën, maar ik heb geen bevredigend filosofisch alternatief gevonden, een theorie van de mens die het spirituele en sociale belang van verwantschap, afstamming, voorgeslacht, etniciteit en ras zou verklaren.

Culturele oorlogen worden uitgevochten met culturele wapens en het komt mij voor dat de meeste "rasrealisten" ongeschikte wapens gebruiken, zoals het Darwinisme of het christendom. Deze wapens worden in feite door onze tegenstanders met meer efficiëntie gebruikt: volgens het Darwinistische dogma is ras een mythe en het enige dat er voor christenen toe zou moeten doen is dat voor Christus alle mensen broeders zijn. Ik heb al geschreven over de gebreken van de christelijke antropologie (hier en hier). Nu wil ik me richten op het Darwinisme, ons agressief dominante antropologische denkmodel. Ik vang aan met een kritische beschouwing op het Darwinisme, zowel als nihilistische theorie van het leven alsmede als een stervend wetenschappelijk denkmodel. Daarna zal ik alternatieve visies op leven en evolutie uiteenzetten, van Intelligent Design tot Rupert Sheldrakes "morfische resonantie". Het zijn in wezen verbeterde versies van het Platonisme, dat ook Idealisme kan worden genoemd. Tenslotte zal ik uitleggen hoe deze Platonische wetenschap van biologische organismen relevant is voor het begrijpen van de aard van sociale organismen, zoals Alexander Dugin ook betoogt in Political Platonisme.

De Darwinistische Ramp

Eerst een verduidelijking: er moet onderscheid worden gemaakt tussen Darwins theorie over hoe plantaardige en dierlijke soorten uit vorige zijn ontstaan en wat gewoonlijk "sociaal Darwinisme" wordt genoemd, maar eigenlijk Spencerisme zou moeten worden genoemd. Hoewel Herbert Spencer, bedenker van de uitdrukking "overleving van de best aangepaste" ("survival of the fittest"), met groot enthousiasme sprak over Darwins boek, dateren zijn sociologische opvattingen van vóór Darwin's biologische theorie en zij zijn daarvan onafhankelijk. Sociologische concepten kunnen Darwins theorie over de "oorsprong der soorten", welke als enige de naam "Darwinisme" verdient, niet valideren. Ook moet erop worden gewezen , zoals Dawkins doet, dat het concept van "groepsselectie", dat nuttig is om rassenverhoudingen te begrijpen, onverenigbaar is met het Darwinistische mechanisme van natuurlijke selectie, omdat altruïstische individuen die bereid zijn zich op te offeren voor de groep minder kans hebben om te overleven. Overigens, aangezien altruïsme en groepsselectie wel degelijk bestaan, zelfs in het dierenrijk, had Darwin gelijk toen hij zei: "Ik zie het als absoluut zeker dat heel veel in de Oorsprong onzin zal blijken te zijn."[1]

Maar voordat ik de wetenschappelijke misvatting van het Darwinisme blootleg, zullen we eens kijken naar de invloed ervan op onze beschaving. Zoals Nietzsche dit correct omschreef in het tweede deel van zijn postuum gepubliceerde Ontijdige Meditaties, betekent Darwinisme voor de leek in wezen "het ontbreken van elk radicaal verschil tussen mens en dier". En dat zag Nietzsche als een filosofische atoombom:
Als we deze [ideeën] nog een generatie lang op de gebruikelijke krankzinnige manier aan het volk opdringen, hoeft niemand verbaasd te zijn als dat volk verdrinkt op zijn kleine ellendige schollen van egoïsme en versteend in zelfzucht. In het begin zal het uiteenvallen en ophouden een volk te zijn. In plaats daarvan zullen misschien individualistische systemen, geheime genootschappen voor de uitroeiing van niet-leden, en soortgelijke utilitaire creaties, verschijnen op het toneel van de toekomst.
Hoewel hij het Darwinisme karakteriseerde als "een waar maar fataal idee", bekritiseerde Nietzsche de mechanische aard van het Darwinistische model en de veronachtzaming erin van de "wil tot macht", welke inherent is aan het leven en waarover hij had geleerd van Arthur Schopenhauer. In zijn voorwoord bij de tweede editie van Über den Willen in der Natur (1836), vijf jaar vóór Darwin's Origin of Species, had Schopenhauer gewaarschuwd tegen
de ongeëvenaarde ijver en activiteit welke in elke tak van de Natuurwetenschap wordt getoond en welke, omdat dit streven meestal in handen is van mensen die niets anders hebben geleerd, dreigt te leiden tot een grof, dom Materialisme, waarvan de meest aanstootgevende kant niet zozeer de morele beestachtigheid van de uiteindelijke resultaten is, als wel de ongelooflijke absurditeit van de eerste principes; want hierdoor wordt zelfs de vitale kracht ontkend en wordt de organische Natuur gedegradeerd tot een louter toevallig spel van chemische krachten.
Zeventig jaar later maakte de Engelse schrijver Bernard Shaw zich in zijn voorwoord in Back to Methuselah (A Metabiological Pentateuch) zorgen over de seculiere ethiek van meedogenloze concurrentie die in het darwinisme besloten ligt en weet hieraan de Grote Oorlog:
Neo-Darwinisme veroorzaakte in de politiek een Europese catastrofe van een dermate verschrikkelijke omvang en een dermate onvoorspelbare reikwijdte, dat terwijl ik deze regels in 1920 neerschrijf, het nog steeds verre van zeker is of onze beschaving deze zal overleven.[2]
Terwijl Shaw dit schreef, drong het Darwinisme zich op als het metafysische kader van alle "menswetenschappen" en als fundament van een nieuw idee van de mens, die niet langer door een kwalitatieve sprong van het dierenrijk wordt onderscheiden. Sigmund Freud onder andere dankte zijn succes aan het feit dat hij de psychologie had hergefundeerd op Darwinistische principes, dat wil zeggen op het predikaat dat de creatieve geest van de mens slechts een bijproduct was van zijn (onderdrukte) dierlijke instincten: "Het is slechts het principe van genot [...] dat van meet af aan de verrichtingen van het psychisch apparaat beheerst" (Civilization and Its Discontents, 1929). Omdat, volgens de Darwinistische logica, voortplanting de selectie bepaalt was het natuurlijk in de geslachtsdrift dat Freud de sleutel vond tot de menselijke psyche.

Omdat we nu allemaal in de Darwinistische matrix leven, kunnen we niet gemakkelijk de invloed ervan meten of zien waar het ons heen drijft. Laten we, als een goede indicator, het succes nemen van de nieuwste Darwinistische ster Yuval Noah Harari, die bijna 30 miljoen exemplaren verkocht in 60 talen. In Sapiens: A Brief History of Humankind (2015, voor het eerst gepubliceerd in het Hebreeuws in 2011), hamert hij op het punt: we zijn niet anders dan dieren, en "het leven heeft geen script, geen toneelschrijver, geen regisseur, geen producent - en geen betekenis." Dan in Homo Deus: A Brief History of Tomorrow (2017) kwam het goede nieuws, de belofte van verlossing, het nieuwe verbond van de mens met zichzelf, de profetie van zijn zelfverheffing door het wonder van de hoog ontwikkelde technologie:
Na sterfte door honger, ziekte en geweld te hebben teruggedrongen, zullen we er nu naar streven de ouderdom en zelfs de dood zelf te overwinnen. Nadat we mensen hebben gered van ellendige ellende, zullen we er nu naar streven ze positief gelukkig te maken. En nu we de mensheid hebben verheven boven het beestachtige niveau van de overlevingsstrijd, zullen we ernaar streven mensen op te waarderen tot goden, en Homo sapiens te veranderen in Homo deus.

[...] bio-ingenieurs nemen dan het oude Sapiens-lichaam en zullen opzettelijk zijn genetische code herschrijven, zijn hersencircuits herbedraden, zijn biochemisch evenwicht wijzigen en zelfs volledig nieuwe ledematen kweken. Zo zullen zij nieuwe goddelijke wezens creëren, die net zo van ons Sapiens zullen verschillen als wij van Homo erectus. Cyborg engineering zal nog een stap verder gaan door het organische lichaam samen te voegen met niet-organische apparaten, zoals bionische handen, kunstogen, of miljoenen nano-robots welke door onze bloedbaan zullen navigeren, problemen zullen diagnosticeren en schade zullen herstellen. ...

Een gedurfdere benadering maakt korte metten met organische onderdelen en hoopt volledig non-organische wezens te kunnen ontwikkelen. Neurale netwerken zullen worden vervangen door intelligente software, welke zowel in de virtuele als in de niet-virtuele wereld kan surfen, vrij van de beperkingen van de organische chemie. Na 4 miljard jaar rondzwerven in het koninkrijk van de organische verbindingen zal het leven uitbreken in de uitgestrektheid van het anorganische rijk en vormen aannemen die wij ons zelfs in onze stoutste dromen niet kunnen voorstellen. Tenslotte zijn onze stoutste dromen nog steeds het product van organische chemie.
harari macron
Zo luidt de neo-Darwinistische doxa: door een of ander genetisch wonderbaarlijk ongeluk dat 70.000 jaar geleden de "Cognitieve Revolutie" teweegbracht, heeft het chemisch determinisme het leven geschonken aan een oneindig zelf-determinisme en nu verandert de aapmens in de god-mens. Nu kan de "machine-robot" van Dawkins zichzelf gaan opwaarderen tot een eeuwige elektronische zombie. Dergelijke fantasieën over fysieke onsterfelijkheid en almacht klinken grappig in de huidige tijd van covidofobie, maar er is natuurlijk een verband: het gaat allemaal om het verspreiden van de filosofie, dat het doel van het leven het vermijden van de dood is (de individuele fysieke dood, wel te verstaan).

De Mechanistische Levensbeschouwing

Deze collectieve mentale stoornis waardoor een mens zichzelf als een machine beschouwt (is er een naam voor in de DSM-5?)[3] kan worden teruggevoerd op de Fransman René Descartes (1596-1650). Descartes was van jongs af aan gefascineerd door de nieuwe machines van zijn tijd en hij begreep intuïtief, dat dieren niet anders zijn dan geavanceerde automaten. Net als iedereen was ook hij onder de indruk van Keplers bewering dat "de hemelse machine niet te vergelijken is met een goddelijk organisme maar met een uurwerk" en hij besloot dat ook levende organismen geen organismen maar machines waren.

Volgens de Aristotelische traditie, gevolgd door Thomas van Aquino, verschilden levende wezens wezenlijk van onbezielde materie door hun inherente vitale principe, of anima, dat werd opgevat als het lichaam omringend in plaats van opgesloten in het lichaam. Maar aangezien het kosmische organisme nu van zijn anima mundi was beroofd en in een mechanisme was veranderd, wilde Descartes zich ook van de anima van de dieren ontdoen. Hij was voorzichtig genoeg om een uitzondering te maken voor de mens, die een rationele ziel had gevestigd in de pijnappelklier.

Descartes' machinetheorie van het leven werd voortdurend aangevochten door een stroming welke in de negentiende eeuw het "vitalisme" werd genoemd. Vitalisten beweerden dat de verschijnselen van het leven niet volledig verklaard kunnen worden door mechanische of chemische wetten afgeleid uit de studie van levenloze systemen en dat de processen van morfogenese en voortplanting een extra oorzakelijke factor vereisen. Voor vitalisten zou de evolutie van soorten verklaard kunnen worden als het "élan vital" (Henri Bergson, L'Évolution créatrice, 1907) dat een soort Schopenhaueriaanse "wil om te evolueren" omvat. Bergson schreef:
Hoe meer we onze aandacht vestigen op deze continuïteit van het leven, hoe meer we zien dat de organische evolutie lijkt op de evolutie van een bewustzijn, waarin het verleden drukt op het heden en het ontstaan veroorzaakt van een nieuwe vorm van bewustzijn, onverenigbaar met haar voorgangers.[4]
Hoewel de term "holisme" pas in 1926 door Jan Smuts werd bedacht, verduidelijkt deze hoe vitalisten organische van anorganische systemen onderscheiden. In de woorden van Arthur Koestler (The Ghost in the Machine, 1967) heeft elk deel van een holarchie, een holon genoemd, "een dubbele neiging om zijn individualiteit te behouden en te doen gelden als een quasi-autonoom geheel; en om te functioneren als een geïntegreerd deel van een (bestaand of evoluerend) groter geheel."[5] In hun ontwikkeling vereisen holistische systemen een soort teleologisch principe, een vooraf bestaand plan, met andere woorden een Platonische of Aristotelische "Vorm".

A symbolic representation of holistic systems Een symbolische voorstelling van holistische systemen

Een symbolische weergave van holistische systemen
In 1802 dacht Jean-Baptiste de Lamarck het vitalisme te verslaan met zijn doctrine van het transformisme, dat verklaarde hoe soorten van elkaar evolueerden door de overerving van verworven kenmerken. Darwin stelde later een ander mechanisme voor evolutie voor ("afstamming met modificatie"). Dergelijke evolutietheorieën hadden het voordeel dat zij de God-hypothese overbodig maakten: machines vereisen normaal gesproken een ontwerper (Newton stelde zich God voor als "zeer bedreven in mechanica en geometrie") maar organismen vereisen dit niet als zij geleidelijk evolueerden door spontane variaties en natuurlijke selectie. "Toeval en noodzaak" schiepen alle levensvormen, van de bacterie tot de mens.

Door de herontdekking van de erfelijkheidswetten van Mendel evolueerde het Darwinisme tot wat Julian Huxley de "moderne synthese" zou noemen (gewoonlijk neo-Darwinisme genoemd). In de jaren 1930 verschoof de zoektocht naar de verklaring van het leven, dankzij de elektronenmicroscoop, van het cellulaire niveau naar het moleculaire niveau. Biologie werd opgevat als een tak van de scheikunde. Francis Crick, die de Nobelprijs won voor de ontdekking van de structuur van DNA, schreef in Of Molecules and Men (1966): "het uiteindelijke doel van de moderne stroming in de biologie is in feite om alle biologie te verklaren in termen van fysica en chemie."[6]

Ironisch genoeg onthulde de focus op het moleculaire niveau de verbijsterende complexiteit van levende cellen, waardoor het simplistische Darwinistische model van evolutie door toevallige mutaties steeds meer onder druk komt te staan.

Intelligent Design

Michael Behe legt in zijn bestseller Darwin's Black Box uit:
De biochemie heeft aangetoond dat elk biologisch apparaat dat meer dan één cel omvat (zoals een orgaan of een weefsel) noodzakelijkerwijs een ingewikkeld web is van vele verschillende, identificeerbare systemen van een ontstellende complexiteit. De "eenvoudigste" zelfvoorzienende, replicerende cel heeft de capaciteit om duizenden verschillende eiwitten en andere moleculen te produceren, op verschillende tijdstippen en onder variabele omstandigheden. Synthese, afbraak, energieopwekking, replicatie, onderhoud van de celarchitectuur, mobiliteit, regulering, reparatie, communicatie - al deze functies vinden in vrijwel elke cel plaats en elke functie zelf vereist de interactie van talloze onderdelen.[7
Kan zo'n enorme complexiteit zijn ontstaan door een Darwinistische reeks fouten bij de replicatie van genen door louter toeval? Het is belangrijk om te begrijpen dat, volgens Darwin, het enige creatieve proces in de evolutie "toevallig geproduceerde variaties" zijn. Natuurlijke selectie creëert niets; het werkt alleen op negatieve wijze door eliminatie van nadelige variaties. Zoals Stephen Meyer stelt in Darwin's Doubt, verklaart natuurlijke selectie "alleen het overleven van de best aangepaste, niet de opkomst van de best aangepaste." Dit is een cruciaal punt, verborgen voor het grote publiek, dat naïef wordt wijsgemaakt dat natuurlijke selectie een scheppende kracht is. Richard Dawkins, bijvoorbeeld, misleidt zijn lezers wanneer hij in The Selfish Gene schrijft, dat "evolutie werkt door natuurlijke selecties." Die uitspraak is overduidelijk onjuist binnen de Darwinistische wetenschap, maar is essentieel voor Darwinistische indoctrinatie.

En onthoud: Darwin wist niets van genen. Het kleinste deel van het organisme dat hij kon zien was de cel en voor hem vormde de cel een "black box". Hij had geen idee van de aard en de oorzaken van de "per ongeluk ontstane variaties", welke op wonderbaarlijke wijze selectieve voordelen konden opleveren. Pas in de jaren 1940 werd vastgesteld dat toevallige variaties fouten waren in de replicatie in de DNA-code. Experimenten tonen echter aan, dat spontane of geïnduceerde genetische mutaties slechts zwakkelingen of monsters voortbrengen, die vaak steriel zijn. Met andere woorden, natuurlijke selectie heeft de neiging het genetisch erfgoed in stand te houden door individuen te elimineren die te veel afwijken van de norm.

Darwin benadrukte, en de huidige neo-Darwinisten blijven erop hameren, dat elke variatie zeer klein moet zijn en dat alleen de geleidelijke accumulatie van een groot aantal micromutaties een significante verandering kan voortbrengen. Behe onderstreept het grootste obstakel voor deze theorie, met wat hij "onherleidbare complexiteit" noemt. Een systeem is "onherleidbaar complex" als het "bestaat uit verschillende goed op elkaar afgestemde en onderling op elkaar inwerkende onderdelen die bijdragen aan de basisfunctie, waarbij het wegnemen van een van de onderdelen ertoe leidt dat het systeem feitelijk ophoudt te functioneren". Het klassieke voorbeeld is het oog. Een geleidelijke ontwikkeling van het menselijk oog lijkt onmogelijk, omdat de vele geavanceerde kenmerken van elkaar afhankelijk zijn.
Het oog functioneert als één geheel of geheel niet. Hoe kon het dan evolueren door langzame, gestage, oneindig kleine Darwinistische verbeteringen? Is het werkelijk aannemelijk dat duizenden en duizenden toevallige mutaties toevallig plaatsvonden zodat de lens en het netvlies, welke niet zonder elkaar kunnen functioneren, op synchrone wijze evolueerden? Welke overlevingswaarde kan er zijn in een oog dat niet kan zien? [8]
Merk op dat het alternatief voor Darwins gradualisme, bekend als "saltationisme", dat probleem niet oplost, evenmin als Stephen Jay Goulds theorie van "onderbroken evenwicht": het verschijnen van elk "onherleidbaar complex" orgaan is nog steeds naar hoge waarschijnlijkheid onmogelijk door louter blinde mutatie.

Michael Behe is een vooraanstaand biochemicus die de hypothese van het "Intelligent Design" verdedigt. Aangezien deze stroming stelt dat de complexiteit van het leven, welke met iedere nieuwe ontdekking groter en groter blijkt te zijn, het meest overtuigende bewijs vormt voor het bestaan van God - of Geest, of Doel - , zijn de demoniserende wetenschappers in kruistocht-modus geraakt. Vandaar de agressieve campagne om universitaire professoren die voorstander zijn van Intelligent Design te verbannen, zoals gedocumenteerd in de film Expelled: No Intelligent Allowed. Thans woedt een Darwinistische selectie in de academische wereld om niet-Darwinistische wetenschappers te elimineren. Ik heb dat zelf op kleine schaal meegemaakt, toen mij, nadat ik mijn doctorstitel had behaald, een baan als docent aan de universiteit werd geweigerd om de enkele reden - zo werd mij duidelijk te verstaan gegeven - dat ik het boek van Phillip Johnson, Darwinism on Trial had vertaald, bewerkt en van een voorwoord had voorzien.

Stephen Meyer, popularisator en voorstander van Intelligent Design, ontwikkelt een ander belangrijk argument in zijn boek Darwin's Doubt:
"De entiteiten die functionele voordelen aan organismen verlenen - nieuwe genen en hun corresponderende producten bestaande uit eiwitten - vormen lange lineaire rijen van nauwkeurig opeenvolgende subeenheden, nucleotide bases in het geval van genen en aminozuren in het geval van eiwitten. Volgens de neo-Darwinistische theorie moeten deze complexe en sterk gespecificeerde entiteiten echter eerst ontstaan en enig voordeel opleveren voordat natuurlijke selectie ze in stand kan houden. Gezien het aantal bases dat in genen aanwezig is en het aantal aminozuren dat in functionele eiwitten aanwezig is, zou er een groot aantal veranderingen in de rangschikking van deze moleculaire subeenheden moeten plaatsvinden voordat een nieuw functioneel en selecteerbaar eiwit zou kunnen ontstaan. Om zelfs maar de kleinste eenheid van functionele innovatie - een nieuw eiwit - te laten ontstaan, zouden vele onwaarschijnlijke herschikkingen van nucleotidebases moeten plaatsvinden voordat natuurlijke selectie iets nieuws en voordelig te selecteren zou hebben."[9]
Meyer benadrukt dat de revolutie in de biochemie heeft geleid tot het besef dat het leven niet fundamenteel over materie gaat; het gaat over informatie. DNA "codeert" informatie, dat kan worden " overgeschreven" in RNA-moleculen en vervolgens "vertaald" wordt in een opeenvolging van aminozuren als eiwitmoleculen worden gesynthetiseerd. "Sinds de moleculair-biologische revolutie voor het eerst de nadruk legde op het primaat van informatie voor het onderhoud en de functie van levende systemen, zijn vragen over de oorsprong van informatie beslist naar de voorgrond verschoven in discussies over de evolutietheorie."[10] Willekeurige of toevallige veranderingen in een informatie bevattende sequentie, degraderen de informatie en kunnen op geen enkele manier nieuwe informatie toevoegen. Daarom is de belangrijkste uitdaging voor het Darwinisme afkomstig van wiskundigen: in 1966 belegde een vooraanstaande groep wiskundigen, ingenieurs en wetenschappers aan het Wistar Instituut in Philadelphia de conferentie "Mathematical Challenges to the Neo-Darwinian Interpretation of Evolution."[11]

Morfogenetische Velden en Morfische Resonantie

Voor Stephen Meyer "wijst de ontdekking van digitale informatie in zelfs de eenvoudigste levende cellen op de voorafgaande activiteit van een actieve ontwerpende intelligentie in de oorsprong van het eerste leven."[12] Maar deze "ontwerpende intelligentie" hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden opgevat als een transcendente God, die zich buiten zijn schepping bevindt. Met andere woorden, het Intelligent Design denkmodel moet niet worden versmald tot een moderne versie van de horlogemaker (de computermaker), die eens in de zoveel tijd nieuwe modellen maakt. Het is ook mogelijk een meer pantheïstische of animistische denkwijze te volgen en aan te nemen dat intelligentie (of geest, welke wil en emotie omvat) inherent is aan het leven zelf. Documentaires over de intelligentie van planten kunnen daarbij helpen (hier, hier of hier).

Bioloog Rupert Sheldrake verbonden aan Cambridge argumenteert in deze zin: "Levende organismen kunnen een interne creativiteit hebben, zoals wijzelf."[13] Maar Sheldrake wordt interessanter wanneer hij het begrip "morfogenetische velden" introduceert. Hij heeft het niet bedacht en geeft de eer aan Hans Spemann, Alexander Gurwitsch en Paul Weiss, die in het begin van de jaren 1920 voorstelden, dat morfogenese wordt georganiseerd door "ontwikkelings-", "embryonale", of "morfogenetische" velden. Deze velden organiseren de ontwikkeling van het embryo en sturen de processen van regulatie en regeneratie na beschadiging.
De specifieke aard van de velden houdt volgens Weiss in, dat elke soort organisme zijn eigen morfogenetisch veld heeft, hoewel velden van verwante soorten vergelijkbaar kunnen zijn. Bovendien zijn er binnen het organisme subsidiaire velden binnen het totale veld van het organisme, in feite een ingenestelde hiërarchie van velden binnen velden.[14]
Denken in termen van velden is noodzakelijk, betoogt Sheldrake, omdat genetische informatie zich niet alleen binnen de genen kan bevinden:
"Het concept van genetische programma's is gebaseerd op een analogie met computerprogramma's. De metafoor impliceert dat de bevruchte eicel een voorgevormd programma bevat dat op de een of andere manier de ontwikkeling van het organisme coördineert. Maar het genetische programma moet iets meer inhouden dan de chemische structuur van DNA, omdat identieke kopieën van DNA aan alle cellen worden doorgegeven; als alle cellen identiek geprogrammeerd zouden zijn, zouden ze zich niet verschillend kunnen ontwikkelen."[15]
Een deel van de informatie die "vorm geeft" aan het organisme is dus niet materieel gecodeerd; het behoort tot de morfogenetische velden, niet tot het DNA. Sheldrake gebruikt een eenvoudige metafoor om dat idee begrijpelijk te maken:
Beschouw de volgende analogie. De muziek die uit de luidspreker van een radio komt hangt zowel af van de materiële structuren van het toestel en de energie die het aandrijft als van de transmissie waarop het toestel is afgestemd. De muziek kan natuurlijk worden beïnvloed door veranderingen in de bedrading, transistors, condensatoren, enz. en houdt op wanneer de batterij wordt verwijderd. Iemand die niets zou weten van de overdracht van onzichtbare, ongrijpbare en onhoorbare trillingen door het elektromagnetische veld, zou kunnen concluderen dat dit volledig kan worden verklaard door de onderdelen van de radio, de wijze waarop zij zijn opgesteld en de energie waarvan hun werking afhankelijk is. Als hij ooit de mogelijkheid zou overwegen dat er iets van buitenaf binnenkwam, zou hij dat verwerpen wanneer hij zou ontdekken dat het toestel in- en uitgeschakeld even zwaar zou wegen. Hij zou dus moeten veronderstellen dat de ritmische en harmonische patronen van de muziek binnen de radioset ontstonden als gevolg van immens ingewikkelde interacties tussen de onderdelen ervan. Na zorgvuldige bestudering en analyse van de radio zou hij misschien zelfs in staat zijn hier een replica van te maken die precies dezelfde klanken voortbracht als het origineel en hij zou dit resultaat waarschijnlijk beschouwen als een treffend bewijs van zijn theorie. Maar ondanks zijn prestatie zou hij zich er volkomen onbewust van blijven dat de muziek in werkelijkheid afkomstig was uit een studio honderden kilometers verderop.[16]
Sheldrake bouwt zijn opvatting van "morfische resonantie" op de idee van morfogenetische velden. Aangezien morfogenetische velden een inherent geheugen bevatten, zou dat geheugen niet onveranderlijk kunnen zijn, maar beïnvloed kunnen worden door terugkoppeling. Met andere woorden, alle organismen (of organen, of cellen) die door een bepaald veld worden bewogen, resoneren dan met elkaar en die resonantie vormt het veld zelf.
Morfische resonantie vindt plaats op basis van gelijkenis. Hoe meer een organisme op vorige organismen lijkt, des te groter is hun invloed op het organisme door morfische resonantie. En hoe meer van dergelijke organismen er zijn geweest, hoe krachtiger hun cumulatieve invloed.[17]
Dit is wat Sheldrake ook wel "formatieve oorzakelijkheid" noemt: "volgens de hypothese van formatieve oorzakelijkheid hangt de vorm van een systeem af van de cumulatieve morfische invloed van eerdere soortgelijke systemen"; "morfische velden zijn niet precies gedefinieerd, maar zijn waarschijnlijkheidsstructuren, welke afhankelijk zijn van de statistische verdeling van eerdere soortgelijke vormen."[18] Dat verklaart nog steeds niet het verschijnen van nieuwe soorten en Sheldrake laat deze vraag open.

Ik kan hier niet dieper ingaan op Sheldrakes theorieën, maar hier is zijn eigen samenvatting uit The Presence of the Past:
laten we de hypothetische eigenschappen van deze velden op alle niveaus van complexiteit in herinnering roepen: Het zijn zelforganiserende gehelen. Zij hebben zowel een ruimtelijk als een temporeel aspect en organiseren ruimtelijk-temporele patronen van vibrerende of ritmische activiteit. Zij trekken de systemen onder hun invloed naar karakteristieke vormen en patronen van activiteit, waarvan zij het ontstaan organiseren en waarvan zij de integriteit handhaven. De doelen waarnaar morfische velden de systemen onder hun invloed aantrekken worden attractoren genoemd. De wegen waarlangs systemen gewoonlijk deze attractoren bereiken worden chreodes genoemd. Zij verbinden en coördineren de morfische eenheden of holons die erin liggen, welke op hun beurt gehelen zijn die georganiseerd worden door morfische velden. Morfische velden bevatten andere morfische velden in zich in een ingenestelde hiërarchie of holarchie. Het zijn structuren van waarschijnlijkheid en hun organiserende activiteit is probabilistisch. Zij bevatten een ingebouwd geheugen, gegeven door zelfresonantie met het eigen verleden van een morfische eenheid en door morfische resonantie met alle vorige soortgelijke systemen. Dit geheugen is cumulatief. Hoe vaker bepaalde activiteitspatronen worden herhaald, hoe gewoner ze lijken te worden.

Platonisme en de Organische Samenleving


Misschien wel de grootste verworvenheid van het Europese pre-christelijke denken was het filosofische concept van de goddelijke Scheppende Intelligentie, vaak verpersoonlijkt als Hagia Sophia, Heilige Wijsheid. In die tijd waren de geleerden "filosofen", liefhebbers van Sophia, die geloofden dat de Intelligentie die de kosmos ontwierp en bezielde kon worden benaderd door de menselijke intelligentie waarin zij werd weerspiegeld.

Plato, prins der filosofen, was van mening dat alle manifestaties in deze wereld van zintuiglijke ervaring onvolmaakte reflecties waren van archetypische Vormen of Ideeën. Met Intelligent Design en Sheldrakes Morfische Resonantie zijn we getuige van de terugkeer van Plato. Dit is een algemene trend in de wetenschap, waar concepten van energievelden de materie vervangen. Werner Heisenberg, een van de grondleggers van de kwantummechanica, schreef:
Op dit punt heeft de moderne fysica definitief voor Plato gekozen. Want de kleinste eenheden van materie zijn in feite geen lichamelijke objecten in de gewone zin van het woord; het zijn vormen, structuren, of - in Plato's zin - ideeën, waarover alleen in de taal van de wiskunde ondubbelzinnig kan worden gesproken.[19]
Aangezien Plato's centrale stelling de werkelijkheid van Ideeën is, kan het Platonisme "Idealisme" worden genoemd. In ruime zin bevestigt het Idealisme het bestaan van een andere wereld, reëler dan de materiële wereld, maar ontoegankelijk voor onze fysieke zintuigen. Idealisme is de theorie welke voorrang van de Geest over de Materie postuleert.

Hiermee kunnen we beginnen met het vormen van een organische politieke theorie. Een gemeenschap of een natie kan alleen organisch of holistisch zijn als zij een eigen leven heeft, een bezieling, een collectieve ziel die mensen verenigt in morfische resonantie, niet alleen fysiek en sociaal, maar ook spiritueel. Interessant is dat juist Herbert Spencer de eerste systematische vergelijking trok tussen de structuur van individuele organismen en die van samenlevingen in zijn artikel "het sociale organisme". Net als biologische organismen, merkte hij op, groeien sociale organismen en nemen ze toe in complexiteit en differentiatie naarmate ze groeien. Beide zijn opgebouwd uit onderling afhankelijke micro-organismen. Een beschaving is de meest ontwikkelde vorm van sociale organismen.[20]

De impliciete politieke theorie van de westerse liberale samenleving is gebaseerd op individualisme en materialisme, de exacte tegenpolen van holisme en idealisme. Het individu wordt uitgeroepen tot de ultieme, in feite de enige, menselijke werkelijkheid. Het individualistische mensbeeld leidde eerst tot "contractualistische" politieke theorieën, te beginnen met Thomas Hobbes (Leviathan, 1651).[21] In zijn kielzog kwam Bernard Mandeville, die in The Fable of the Bees; or, Private Vices, Publick Benefits (1714) betoogde, dat ondeugd de onmisbare drijfveer is die een maatschappij van luxe voortbrengt, terwijl deugd nutteloos is of misschien zelfs schadelijk voor de publieke welvaart. Toen kwam Adam Smith (The Wealth of Nations, 1776). Net als Hobbes veronderstelde Smith, dat mensen uitsluitend gemotiveerd worden door hun eigen winstbejag. Hij speculeerde dat in een maatschappij van vrije concurrentie de som van ieders egoïsme een rechtvaardige maatschappij zou creëren: "Ieder individu [...] beoogt slechts zijn eigen gewin en hij wordt in dit geval, zoals in vele andere gevallen, door een onzichtbare hand geleid om een doel te bevorderen dat geen deel uitmaakte van zijn bedoeling." We kennen het resultaat: geld is niet het bloed van een sociaal organisme dat bestaat uit cellen en organen, maar de brandstof van een sociale machine, waarin individuen worden gereduceerd tot vervangbare en inwisselbare onderdelen.

In een recente verhandeling legt Alexander Dugin de schuld bij het "nominalisme", de filosofie welke in de veertiende eeuw het Platonisch Idealisme (ook wel "essentialisme" of "realisme" genoemd) uitdaagde door het bestaan van universalia te ontkennen. "Het nominalisme legde de basis voor het toekomstige liberalisme, zowel ideologisch als economisch. Hierin werden mensen slechts beschouwd als individuen en niets anders en alle vormen van collectieve identiteit (religie, klasse, enz.) moesten worden afgeschaft." Volgens Dugin veroorzaakte het nominalisme de grootste schade door het vernietigen van "de collectieve identiteit van de Kerk", opgevat als "het mystieke lichaam van Christus".

Dat is waar, maar de Kerk is een bovennatuurlijk, niet een natuurlijk organisme. En door haar exclusiviteit heeft zij bijgedragen aan de ondermijning van andere holistische systemen. In het begin van de vijfde eeuw protesteerde de christelijke dichter Prudentius tegen het respect dat verschuldigd was aan het beschermende "genie" van Rome, waarbij hij ontkende dat zo'n "geest" ook maar de geringste realiteit had. Volgens Edward Gibbon waren het de christenen die, met hun ogen gericht op de Stad van God, de val van het Romeinse Rijk veroorzaakten door een "indolente of zelfs misdadige veronachtzaming van het algemeen welzijn"[22]. Het christendom heeft de heidense held, die zijn leven opoffert voor zijn gemeenschap vervangen door de heilige die afstand doet van familiebanden en sterft voor zijn geloofsbelijdenis, of zichzelf uithongert in de woestijn! Wie heeft de heilige Antonius of Ignatius nog nodig? Men is het er algemeen over eens dat het christendom, met haar egalitaire, atomistische concept van de menselijke ziel en haar focus op individuele verlossing, het individualisme heeft verwekt en later de moderne democratie: van "één verlossing per persoon" tot "één stem per persoon".[23]

Ik ben er dus helemaal voor dat christelijke rassenrealisten vechten met "Het Zwaard van Christus", maar de idee dat blanken zich weer tot het christelijk geloof moeten wenden om zichzelf collectief te redden is een gevaarlijke waanvoorstelling. We kunnen net zo goed de Geestendans doen.

Antropoloog Weston La Barre gebruikte de Geestendans als symbool voor de theorie dat de relatie met de dode voorouders het fundament is van traditionele samenlevingen (The Ghost Dance: The Origins of Religion, 1970). Dat geeft stof tot nadenken.

Maar laat me wijzen op een andere les in het concept: met de Geestendans probeerden de inheemse Amerikanen een magisch einde te maken aan hun eigen genocide. De beweging eindigde met het bloedbad bij Wounded Knee. Tien dagen eerder schreef Lyman Frank Baum, redacteur van South Dakota's Aberdeen Saturday Pioneer (en toekomstig auteur van De Tovenaar van Oz):
De edelmoedigheid van de Roodhuid is uitgedoofd, en wat er nog over is, is een bende jengelende schelmen die de hand likken die hen slaat... De blanken, door de wet van verovering, door de rechtvaardigheid van beschaving, zijn de meesters van het Amerikaanse continent en de beste beveiliging van de grensnederzettingen zal worden verzekerd door de totale vernietiging van de weinige overgebleven indianen. Waarom geen vernietiging? Hun glorie is vervlogen, hun geest is gebroken, hun mannelijkheid is uitgewist; beter dat zij sterven dan dat zij leven als de ellendige stakkers die zij zijn."[24]
Vervang "Roodhuiden" door "Blanken" en "Blanken" door "Joden" en we hebben een beeld van de toekomst van blanke Amerikanen zoals sommigen haar graag zouden zien. Er is zeker een karmisch verband tussen de twee scenario's: collectief lot betekent collectieve verantwoordelijkheid. Het uitroeien van de indianen die niet tot slaaf gemaakt konden worden en het in plaats daarvan het op onmenselijke wijze importeren van miljoenen Afrikanen bracht een vloek over de blanke beschaving. Yahweh heeft het jullie misschien laten doen (Schopenhauer gaf de schuld van de barbaarsheid van het westen aan de Judaïsche geest) en Yahweh laat jullie (ons) er nu voor boeten.

De Transgenerationele Factor

Maar we zijn nog niet klaar voor de Geestendans. Blanken zullen vechten voor hun leven, hun identiteit, hun waardigheid, hun vrijheid van meningsuiting, hun legitieme leiderschapspositie. Er komen moeilijke tijden aan.

We kennen de kracht van onze vijand: Joden, schreef Martin Buber, maken van bloed "het diepste, meest krachtige stratum van [hun] wezen." De Jood bespeurt "welke samenvloeiing van bloed hem heeft voortgebracht. [...] Hij voelt in deze onsterfelijkheid van de generaties een gemeenschap van bloed"[25] (meer van hetzelfde in mijn artikel "Israel as One Man"). Onze zwakte is individualisme. Ons besef van bloed is zwak. Voor de meeste blanken roept het woord zelf niets anders op dan wat hun miserabele individuele leven verlengt. Waar anders dan in Amerika kun je bloed kopen?

blood transfusions
Als er enige waarheid zit in de wetenschap des levens welke ik hier heb uiteengezet, dan behelst dit eveneens een les, een filosofisch pad om los te komen van het individualisme en te gaan luisteren naar ons innerlijke genetische zelf. In zekere zin heeft de metafoor van Dawkins haar waarde, als we er maar de ontbrekende spirituele dimensie aan toevoegen. De genen, schrijft hij, "hebben ons geschapen, lichaam en geest; en hun behoud is de ultieme rationale voor ons bestaan."[26] Maar "behoud" is het verkeerde concept: je deelt je genen als je paart; je vermengt je bloed, je afkomst, met een ander. Dit is de hoogste menselijke verantwoordelijkheid. Genetisch erfgoed is de echte rijkdom van naties. Er was trouwens ooit een Europese beweging welke volledig op dat idee was gebaseerd: nu de Amerikanen dat hebben vernietigd, kunnen ze erover lezen in Johann Chapoutot, The Law of Blood: Thinking and Acting as a Nazi (2018).

Onze kernidentiteit, of we dat nu leuk vinden of niet, is dat we allemaal lid zijn van een familiale stamboom. Onze liberale mentaliteit vertelt ons misschien iets anders, maar bloed liegt niet. Onze voorouders leven in ons. Soms vechten ze in ons; denk aan de rassenoorlog welke gaande is in het hoofd van een man van gemengde afkomst maar altijd als zwart wordt geïdentificeerd, nooit als blank.

Het is waarschijnlijk een voorrecht van de ouderdom om te beseffen hoezeer onze psychologie en ons lot gevormd zijn door onze genealogie. Toen hij al in de tachtig was, zei Carl Jung:
Ik voel heel sterk dat ik onder invloed sta van zaken of vragen die onvolledig en onbeantwoord werden gelaten door mijn ouders en grootouders en mijn voorouders. Het lijkt vaak alsof er een onpersoonlijk karma binnen een familie bestaat, dat van ouders op kinderen wordt doorgegeven. Het is mij altijd voorgekomen dat ik vragen moest beantwoorden die het lot aan mijn voorvaderen had gesteld en die nog niet waren beantwoord, alsof ik dingen moest voltooien, of misschien voortzetten, die vorige eeuwen onvoltooid hadden gelaten. Het is moeilijk te bepalen of deze vragen meer van persoonlijke of meer van algemene (collectieve) aard zijn. Dat laatste lijkt mij het geval te zijn.[27]
De transgenerationele psychologie heeft veel verrassende bevestiging van Jungs intuïtie opgeleverd. Ivan Boszormenyi-Nagy was een pionier, die die "onzichtbare loyaliteiten" documenteerde, welke ons onbewust verbinden met onze voorouders en ons lot vormgeven op basis van een systeem van waarden, schulden en verdiensten.[28] De Franse socioloog Vincent de Gaulejac spreekt van "genealogische impasses," neurotische kluwen van het type: "Ik wil niet zijn wat ik ben". Een individu die zich probeert los te maken van zijn familie "blijft overmatig gedetermineerd door een afstamming welke zich aan hem opdringt, zelfs als hij denkt eraan te ontsnappen."[29] De Franse bestseller over dit onderwerp is geschreven door "psychogenealoge" Anne Ancelin Schutzenberger en is vertaald als The Ancestor Syndrome: Transgenerational Psychotherapy and the Hidden Links in the Family Tree (Routledge, 1998). Ik had het voorrecht de auteur te ontmoeten tijdens een seminar over psychogenealogie. Ik ben vanwege persoonlijke redenen al lange tijd in dit onderwerp geïnteresseerd. Ik groeide op in een familie die achtervolgd werd door een van die "familiegeheimen", welke op mysterieuze wijze transgenerationele neuroses schijnen te veroorzaken. Toen ik na tientallen jaren speculeren eindelijk ontdekte wat het was, begon ik te begrijpen waarom "buitenechtelijk vaderschap" (de antropologische technische term; in het Engels: extra-pair paternity) in de meeste beschaafde samenlevingen als een ernstig destructieve factor wordt gezien (maar niet voor de Himba).

De antropologie leert dat het complexe netwerk van bloed- en huwelijksverwantschap dat ieder mens vanaf zijn geboorte tot zijn dood omringt (wat Lewis H. Morgan in 1871 "systemen van bloedverwantschap en aanverwantschap" noemde) de onderscheidende structuur van iedere samenleving vormt. Ons oude verwantschapssysteem, geërfd van de Romeinse wereld, is aan stukken gescheurd. Of we nu onze beschaving willen redden of ons voorbereiden op een nieuwe, misschien zouden we het herstel van de clan weer vanaf de grond moeten opbouwen. Het opbouwen van een nieuwe clancultuur is een hele uitdaging, omdat de clan zich alleen kan handhaven op basis van natuurlijke hiërarchieën, welke botsen met onze democratische "waarden" en "waarden" van handel drijven.

Maar als we het opbouwen van grote, sterke, gezonde en duurzame gezinnen als prioriteit stellen, zullen daar goede mannen en vrouwen uit voortkomen - helden, misschien. Sommigen zullen falen, sommigen zullen gedood worden, maar hun nagedachtenis zal voortleven en nieuwe zullen hun plaats innemen. Het doet me denken aan iets wat Laurence Leamer schreef over de Kennedy's:
Joseph P. Kennedy creëerde iets groots in zijn leven en dat was zijn familie. [...] Joe leerde dat bloed regeerde en dat ze elkaar moesten vertrouwen en zich moesten begeven in een gevaarlijke wereld vol verraad en onzekerheid, altijd terugkerend naar het toevluchtsoord van de familie. [30]
john f kennedy

De familie van John F Kennedy
Laurent Guyénot, Ph.D., is auteur van From Yahweh to Zion: Jealous God, Chosen People, Promised Land ... Clash of Civilizations, 2018 en JFK-9/11: 50 years of Deep State, 2014 (verboden op Amazon). Hij verzamelde enkele van zijn vroegere Unz Review artikelen in "Our God is Your God Too, But He Has Chosen Us": Essays on Jewish Power.

Voetnoten

[1] Darwin aan Falconer in 1862, geciteerd in Stephen Jay Gould, The Structure of Evolutionary Theory, Harvard UP, 2002, p. 2. Darwin voegde eraan toe (maar hij had het mis): "maar ik verwacht en hoop dat het raamwerk stand zal houden." Het is waar dat het concept van "groepsselectie" door Darwin zelf werd geïntroduceerd in The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex (1871), maar dat verandert niets aan het feit dat het onverenigbaar is met het Darwinisme, althans met het neo-Darwinisme.

[2] Bernard Shaw, voorwoord in Back to Metusalah (1921), op www.gutenberg.org.

[3] Interessant is dat Darwin erover klaagde in zijn autobiografie: "Mijn geest lijkt een soort machine te zijn geworden om algemene wetten te persen uit grote verzamelingen feiten" (p. 144).

[4] Henri Bergson, L'Évolution créatrice, quoted in Rupert Sheldrake, The Presence of the Past: Morphic Resonance and the Habits of Nature, Icon Books, 2011

[5] Arthur Koestler, The Ghost in the Machine (1967), geciteerd in Rupert Sheldrake, The Science Delusion: Freeing the Spirit of Enquiry, Coronet, 2012.

[6] Geciteerd in Rupert Sheldrake, The Science Delusion.

[7] Michael Behe, Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge to Evolution, S&S International, 2006, p. 46.

[8] Michael Behe, Darwin's Black Box, p. 37.

[9] Stephen Meyer, Darwin's Doubt: The Explosive Origin of Animal Life and the Case for Intelligent Design, HarperOne, 2013, p. 177.

[10] Stephen C. Meyer, Darwin's Doubt, p. 168.

[11] Stephen C. Meyer, Darwin's Doubt, p. 170.

[12] Stephen C. Meyer, Darwin's Doubt, p. 159.

[13] Rupert Sheldrake, The Science Delusion.

[14] Rupert Sheldrake, The Presence of the Past: Morphic Resonance and the Habits of Nature, Icon Books, 2011.

[15] Rupert Sheldrake, Morphic Resonance: The Nature of Formative Causation, Park Street Press, 2009, p. 9.

[16] Rupert Sheldrake, Morphic Resonance, pp. 111-112.

[17] Rupert Sheldrake, The Presence of the Past.

[18] Rupert Sheldrake, Morphic Resonance, pp. 94, 109.

[19] Geciteerd in Rupert Sheldrake, The Presence of the Past.

[20] Herbert Spencer, Social Statics: or, the Conditions Essential to Human Happiness Specified, and the First of Them Developed, Appleton-Century-Crofts, 1888, p. 497, hier geciteerd.

[21] T.D. Weldon noemde hen "mechanische politieke theoriën, in tegenstelling tot organische, in States and Morals, 1947.

[22] Edward Gibbon, The History of the Decline and Fall of the Roman Empire, geciteerd in Catherine Nixey, The Darkening Age: The Christian Destruction of the Classical World, Houghton Mifflin Harcourt, 2018, p. 31.

[23] Louis Dumont, Essays on Individualism: Modern Ideology in Anthropological Perspective, University of Chicago Press, 1992, pp. 23-59.

[24] Geciteerd in David E. Stannard, American Holocaust: The Conquest of the New World, Oxford UP, 1992, p. 126.

[25] Geciteerd door Brendon Sanderson in zijn beoordeling van Geoffrey Cantor en Mark Swetlitzs Jewish Tradition and the Challenge of Darwinism, in The Occidental Observer.

[26] Ik vraag me trouwens af hoe Dawkins het rechtvaardigt dat hij maar één kind heeft uit drie huwelijken. Is hij slimmer dan zijn genen?

[27] Carl Jung, Memories, Dreams, Reflections, opgenomen en bewerkt door Aniela Jaffé (1963), Vintage Books.

[28] Ivan Boszormenyi-Nagy, Invisible Loyalties: Reciprocity in Intergenerational Family Therapy, Harper & Row, 1973.

[29] Vincent de Gaulejac, L'Histoire en héritage. Roman familial et trajectoire sociale, Payot, 2012, pp. 141-142, 146-147.

[30] Laurence Leamer, Sons of Camelot: The Fate of an American Dynasty, HarperCollins, 2005.


Zie: https://www.unz.com/article/blood-and-soul/