De zon wees er tijdens de laatse dagen van april 2026 nog eens nadrukkelijk op
wie er hier de scepter zwaait. Op 23 en 24 april vuurde actief gebied 4419
twee opeenvolgende zonnevlammen van de X-klasse af: een X2.4, enkele uren later gevolgd door een X2.5, geflankeerd door een reeks
gebeurtenissen van de M-klasse en diverse coronale massa-uitbarstingen. De zonovergoten kant van de aarde werd getroffen door
uitval van kortegolfradioverbindingen, terwijl voorspellers de daaropvolgende dagen alert waren op minstens een lichte G1-geomagnetische storm. Het maandelijkse gemiddelde aantal zonnevlekken kwam op ongeveer 79 uit,
op papier bescheiden voor cyclus 25, maar deze late, hoogenergetische uitbarstingen bevestigen wat wij al jaren zeggen:
de "afname" van de cyclus lijkt totaal niet op de curve uit de studieboeken, en de zon blijft bepalend voor hetgeen we op aarde waarnemen. Op basis van recente patronen kunnen we de komende maanden meer van hetzelfde verwachten.
Die samenhang met de zon is ook de reden waarom we aandacht moeten besteden aan de huidige Super Niño, die door de reguliere klimatologie nog steeds wordt afgedaan als een "symptoom van opwarming," terwijl het onderliggende signaal over het hoofd wordt gezien. Historisch gezien waren
de sterkste El Niño-verschijnselen geen voorbodes van een ontembaar broeikaseffect, maar deden zich juist voor rond belangrijke klimatologische omslagpunten, voorafgaand aan plotselinge periodes van afkoeling.
Commentaar: Lees ook het eerste deel van deze serie:
Waarom het darwinsme onjuist is, volslagen onjuist - Deel 1: Intelligent design en informatie