Onderzoek naar de politionele acties

Historici roepen op tot een onderzoek naar het Nederlandse geweld in Indonesië. Waarom is dat niet al lang gebeurd?

De kramp is eraf,' zegt directeur Gert Oostindie van het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal, Land en Volkenkunde (KITLV).
'Het veld ligt nu open, hè hè eindelijk,' zegt hoofdonderzoeker Henk Schulte Nordholt. Het tweetal behoort tot de initiatiefnemers van de recente oproep in de Volkskrant een onderzoek te doen naar het Nederlandse geweld tijdens de dekolonisatie van Indonesië tussen 1945 en 1949. Vorig jaar nog kende de rechter weduwen uit het dorpje Rawagede een schadevergoeding toe omdat daar in 1947 mannen, broers en zonen standrechtelijk werden geëxecuteerd. Onlangs diende advocate Liesbeth Zegveld, die de belangen van de weduwen van Rawagede vertegenwoordigt, opnieuw een claim in bij de overheid. Nu willen weduwen uit Zuid-Celebes (het tegenwoordige Sulawesi) waar in 1947 eenheden van de beruchte kapitein Raymond Westerling huishielden, ook een schadevergoeding.

Die opeenvolgende rechtszaken, maar ook de spijtbetuiging die minister Bot van Buitenlandse Zaken in 2005 deed: 'We stonden aan de verkeerde kant van de geschiedenis' - het creëert volgens Oostindie en zijn collega Schulte Nordholt een klimaat waarin nieuw onderzoek mogelijk is. 'Het is voor ons de grootste oorlog ooit gevoerd. Nooit stuurden we zo veel mensen naar het front, nooit waren er zo veel doden. Hoe kan het dat er na 65 jaar nog steeds geen gezaghebbende studie over is?' Het tweetal is vooral benieuwd naar wat er feitelijk is gebeurd tijdens militaire operaties. Ongetwijfeld werden mensen ondersteboven gehangen tijdens verhoren. Zeker is dat krijgsgevangenen tijdens routinepatrouilles werden geëxecuteerd. Maar hoe systematisch gebeurde dat? Waarom onderdrukte kapitein Westerling de bevolking met zo veel geweld? Hoe kan het dat hij daarna jarenlang ongestoord in Nederland heeft kunnen wonen? Oostindie en Schulte Nordholt ontzien ook zichzelf niet, want het blijft natuurlijk vreemd dat het KITLV, het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) niet veel eerder het initiatief hebben genomen. 'Ook dat komt aan de orde in het onderzoek,' zegt Oostindie. 'Voor onze generatie is het vanzelfsprekend om hiermee aan de slag te gaan. Maar onze voorgangers zeiden: "Bemoei je daar niet mee. Dat is voor de politiek."'

Maar wie krantenknipsels en rapporten van de jaren veertig tot nu doorploegt (en dat zijn grote stapels!) valt het meteen op dat áls de politiek zich al uitsprak over de gewelddadige dekolonisatie, het altijd in reactie was op incidenten. Nooit is door een Nederlandse regering uit eigen beweging een groot, alomvattend onderzoek opgezet, zoals de parlementaire enquête naar de regeringsverantwoordelijkheid in de Tweede Wereldoorlog. In de jaren zestig speelde de affaire rond Joop Hueting die op televisie vertelde over de moordpartijen waarbij hij betrokken was, in de jaren tachtig de kwestie rond Loe de Jong die in zijn deel over Nederlands-Indië beweerde dat er oorlogsmisdaden waren gepleegd, wat hij later toch weer veranderde in 'excessen'. En in de jaren negentig: de komst van deserteur Poncke Princen naar Nederland, de discussies rond het staatsbezoek van de koningin aan Indonesië en de RTL-documentaire over Rawagede die daaraan voorafging. Steeds weer kwamen spoken uit het verleden terug. En dat moet voor eens en altijd afgelopen zijn, vinden de historici die oproepen tot onderzoek.

Klokkenluider


Het zijn overigens niet de historici die als eerste de aanzet hebben gegeven tot de hernieuwde belangstelling voor de misstanden in Nederlands-Indië. Volgens historica Stef Scagliola, die voor haar promotie de verwerking van de dekolonisatie uitgebreid onderzocht, zijn er steeds compromisloze figuren nodig die de zaak in beweging brengen. 'Historici kunnen niet zonder klokkenluiders, provocateurs.' De afgelopen jaren werd die rol met verve vertolkt door cementarbeider Jeffry Pondaag uit het Noord-Hollandse Heemskerk. Hij kwam in de jaren zestig vanuit Indonesië naar Nederland met zijn Nederlandse moeder, en ergert zich al jaren aan wat hij 'de arrogante houding' van Nederland noemt. Waarom heet de Coentunnel nog steeds Coentunnel? En waarom staan er op de zijkant van de Gouden Koets nog steeds afbeeldingen van Javanen? Dat steekt hem als Indonesiër, want dat vindt hij verheerlijking van het koloniale verleden. En waarom worden Duitse oorlogsmisdadigers tot in lengte van jaren vervolgd en kon kapitein Westerling tot zijn dood een rustig leven leiden?

'Ik begrijp niet hoe een land dat mensenrechten zo belangrijk vindt, zich zo kan gedragen,' zegt hij. Jarenlang leurde Pondaag met de kwestie-Rawagede zonder enig resultaat. Tot 1995, toen maakte RTL 4 in de aanloop naar het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië een reportage over de vergeten massamoord. Daarna ging het balletje langzaam rollen. In het parlement maakte onder meer de Socialistische Partij zich hard voor de zaak. En zo kreeg Pondaag de Nederlandse staat op de knieën: de regering betuigde spijt en de rechter dwong de overheid schadeloosstellingen te betalen. Bij het KITLV in Leiden menen ze dat Pondaag inderdaad een grote rol heeft gespeeld. 'Hij is een wonderlijke figuur,' zegt Henk Schulte Nordholt. 'Maar hij is wél een katalysator geweest.'

Met vrouw en kind onderduiken

© T.Schilling/Nederlands instituut voor militaire historie
Pondaag staat in een traditie. In 1969 was er een soortgelijke compromisloze figuur die het maatschappelijke debat in beweging bracht. Het waren de jaren van studentenverzet, flowerpower en afrekening met de 'heersende macht'. Psycholoog Joop Hueting gaf een interview aan de Volkskrant waarin hij zonder enige terughoudendheid vertelde over oorlogsmisdaden die waren gepleegd door hemzelf en anderen. Hij beschreef hoe de korporaal van zijn eenheid, die kort daarvoor in een hinderlaag was gelopen een hutje in ging en een familie afmaakte. En hoe Indonesiërs met hun blote billen op gloeiend hete pantserwagens werden gezet, zodat ze brandwonden opliepen. 'Je reinste sadisme.' Ook vertelde hij hoe ze krijgsgevangenen 'lieten pissen in de kali'. Die mannen waren tot last en werden van achteren doodgeschoten. 'Wij waren vakkundige killers,' zei Hueting. Hij stelde nadrukkelijk dat het geen individuele acties waren, maar dat het 'gewoon in het systeem van het leger paste'.

Ondanks de gruwelijke details kreeg zijn verhaal weinig aandacht, totdat de redactie van VARA's actualiteitenrubriek Achter het Nieuws besloot Hueting te interviewen. Toen brak de hel los. Het was voor de allereerste keer dat een televisie-uitzending bij miljoenen kijkers zo veel emoties losmaakte. Hueting werd bedreigd en moest met vrouw en kind onderduiken in een hotel op de Veluwe, berichtte De Telegraaf. Veteranen reageerden woedend op de beschuldigingen, en voormalig premier Willem Drees deed de zaak af als oud nieuws omdat de Kamer in 1949 een voorstel voor een nader onderzoek had verworpen. Ook vroeg Drees zich af waarom Hueting zich niet veel eerder met zijn verhaal bij de autoriteiten had gemeld. Hypocriet als je bedenkt dat de regeringen in de jaren veertig en vijftig precies wisten wat er speelde. In 1954 was er immers een onderzoek afgerond door de juristen Van Rij en Stam naar oorlogsmisdaden die op Zuid-Celebes waren begaan. De regering waarvan Willem Drees premier was, besloot toen kapitein Westerling en zijn mannen vrijuit te laten gaan en het rapport niet openbaar te maken.

Een inhaaloperatie

Het koloniaal verleden werd steeds weer weggestopt. Televisiemaker Ad van Liempt, die zich al jaren verdiept in het Indische verleden en van wie onlangs het boek Nederland valt aan is heruitgegeven, vindt dat niet vreemd. 'Niemand vindt het leuk om stil te staan bij zijn nederlagen.' Maar er speelden volgens Van Liempt ook andere zaken die voor een moeizame omgang zorgden. 'We zaten met het veteranenprobleem. Die mensen zijn hier een beetje als losers ontvangen nadat we Nederlands-Indië waren kwijtgeraakt. Ze voelden zich in de kou gezet. Daarnaast verkeerden we door de weigering van Nederland om Nieuw-Guinea als kolonie op te geven in een soort koude oorlog met Indonesië; we waren bang dat openheid van zaken onze internationale belangen zou schaden.'

Van Liempt noemt het 'eeuwig zonde' dat het in 1969 na de affaire-Hueting nooit tot een groot onderzoek of een parlementaire enquête is gekomen, ondanks aandringen van toenmalig oppositieleider Joop den Uyl. 'Zo'n onderzoek had in die jaren veel opwinding en commotie gegeven, maar de wond was wél schoongeveegd. Je had de hoofdrolspelers en ooggetuigen die toen nog leefden kunnen horen. De feiten waren dan op tafel gekomen. Het onderzoek waar nu toe wordt opgeroepen kan niet anders dan een inhaaloperatie met grote handicaps worden.'


Commentaar: En daarom is er nooit in die jaren een onderzoek gestart.


Na de uitlatingen van Hueting in 1969 kwam er dus geen groot onderzoek. Wel gaf de centrum-rechtse regering onder leiding van premier Piet de Jong onder druk van de commotie die was ontstaan, opdracht tot een snelle inventarisatie in de archieven van alle mogelijke 'excessen' die zouden zijn gepleegd. Het woord 'oorlogsmisdaden' weigerde hij in de mond te nemen. De jonge historicus Cees Fasseur kreeg de opdracht in drie maanden tijd de inventarisatie te maken. Hij verrichtte zijn sisyfusarbeid in grote haast, verzamelde aanwijzingen voor 110 oorlogsmisdaden, maar wist zeker dat zijn werk lang niet volledig was. Dat schreef hij ook in zijn conclusies. Maar dat was niet wat premier De Jong wilde horen. Dat bleek toen historica Stef Scagliola de concepttekst en de definitieve tekst van de conclusies met elkaar vergeleek voor haar in 2002 verschenen proefschrift Last van de oorlog.

Voor de premier speelde naast het veteranenprobleem en de verhouding met Indonesië een nog grotere zorg: de kans was groot dat de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid voor de moordpartijen aan de orde kwam. En dat moest worden voorkomen. De Jong trok aan de noodrem en wijzigde de conclusie van Fasseur, die vond dat er nader onderzoek moest worden gedaan. Volgens De Jong was er ondanks de onvolledigheid geen probleem, want er was toch 'een voldoende indruk over aard en omvang van de excessen'. Namelijk: ja, er hebben zich misstanden voorgedaan, iets wat de regering betreurde. Maar: 'de krijgsmacht als geheel heeft zich in Indonesië correct gedragen', en er was ook sprake van provocaties aan Indonesische kant. En: van 'een systematische wreedheid' was geen sprake. Daarmee ging de deksel op de doofpot.

Bijzondere krijgsraden

De historici die nu oproepen tot hernieuwd onderzoek willen die deksel er weer van af hebben. 'We willen onder meer inventariseren of er stelselmatig krijgsgevangenen werden doodgeschoten. Was dat standaard praktijk?' vraagt Henk Schulte Nordholt van het KITLV zich af. 'Daarvoor moet je archieven doorploegen. Er zijn heel veel zaken die nooit zijn vervolgd, omdat de toenmalig hoogste militair in Nederlands-Indië generaal Simon Spoor het moreel van de troepen niet omlaag wilde halen, de jongens niet onderuit wilde halen. Als je al dat materiaal nog eens heel goed analyseert, zou het me niets verbazen als daar een nieuw beeld uit naar voren komt.'

In dit verband is er één boek dat van grote waarde is voor het komende onderzoek: Ontsporing van geweld van de sociologen Jacques van Doorn en Wim Hendrix uit 1970. Het tweetal diende tegelijkertijd in Nederlands-Indië, Van Doorn op een bureau, Hendrix in het veld. De laatste zag met eigen ogen hoe oorlogsmisdaden werden gepleegd. Ze spraken in het geheim af dat Hendrix zijn ervaringen zou vastleggen voor een latere wetenschappelijke publicatie. Jarenlang bleef het materiaal in de la liggen. Pas na de affaire-Hueting kwamen ze met hun boek. Het was een rechtstreekse aanval op de conclusies van premier De Jong. Volgens de schrijvers was er wel degelijk sprake van een systeem van contraterreur dat van bovenaf werd opgelegd. Indonesische infiltranten werden berecht door bijzondere krijgsraden, er was sprake van een 'wijd vertakt, hard politioneel regime' en Speciale Troepen hadden 'een vergaand mandaat gekregen' om eigenmachtig op te treden. Al deze maatregelen waren volgens de twee auteurs genomen omdat het onmogelijk was 'met normale middelen de guerrilla te beëindigen'. En door wie was deze strategie ontworpen? Volgens Van Doorn en Hendrix was dat 'op het hoogste niveau' gebeurd en werd 'de man in de troep met de uitvoering belast'. Het zijn prikkelende conclusies die de twee sociologen trekken, maar ze kunnen alleen hun eigen ervaringen als bewijs opvoeren. Er zijn tot nu toe geen stukken opgedoken waardoor hun these kan worden gestaafd.

Ontsporing van geweld werd in 1970 doodgezwegen, ondanks de vergaande conclusies. Historica Scagliola sprak voor haar promotieonderzoek uitgebreid met Van Doorn en kreeg zijn aantekeningen over de nasleep van het boek voor haar reconstructie. In een brief aan toenmalig Vrij Nederland-columnist Renate Rubinstein beklaagde Van Doorn zich dat het werk zo weinig aandacht kreeg: '... niemand was onder de indruk, hoewel voor het eerst systematische analyse en niet smakelijke incidenten werden aangeboden'. Van Doorn overleed in 2008, de inmiddels 86-jarige Hendrix noemde onlangs in dagblad Trouw de oproep tot een nieuw onderzoek 'geweldig nieuws'.

Loe de Jong


De gruweldaden van Nederlandse kolonialisten in voormalig 'Nederlands-Indië'. De naakte onderlichamen van deze geëxecuteerde Indonesische mannen zijn bedekt met stro.
In de jaren die volgen wordt de rituele dans over het Indische verleden om de paar jaar opgevoerd, zo ook na het verschijnen in 1984 van De Zuid-Celebes affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies van onderzoeker Willem IJzereef. 'In De Telegraaf kreeg ik een recensie waarin stond: "Beste Willem, doe je huiswerk over. Ga naar Westerling en luister naar het echte verhaal",' zegt IJzereef terugkijkend. 'In Vrij Nederland vonden ze het een hartstikke goed boek, maar ik had wel moeten zeggen dat het om "oorlogsmisdaden" ging.'

Hoe gevoelig de publicatie van het boek lag, bleek uit alle autorisaties en toestemmingen die IJzereef van ministers moest krijgen omdat hij tot dan toe verboden dossiers had mogen inzien. 'Het is zelfs langs Ruud Lubbers geweest, die er ook zijn handtekening onder moest zetten. Na publicatie kreeg ik van mensen bij Bureau Indonesië van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Nederlandse Instituut Militaire Historie te horen dat ze het geweldig vonden wat ik had geschreven. Dat mochten zij helemaal niet.' Dat er wel iets is veranderd, bewijst het feit dat het NIMH nu een van de drie initiatiefnemers is van de oproep voor nieuw onderzoek, vindt IJzereef.

Eind 1987 was Loe de Jong het middelpunt toen hij in deel 11a van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de gebeurtenissen in Nederlands-Indië beschreef. Hij had het daarin over oorlogsmisdaden in plaats van excessen en vergeleek het optreden van de Nederlanders met dat van de Duitsers. Een van zijn meelezers, een oud-officier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), was zo verontwaardigd dat hij de tekst doorspeelde naar De Telegraaf, die het opnam voor de veteranen en een campagne startte. De Jong kreeg dus net als eerder Hueting alles en iedereen over zich heen. Hij gaf toe de paragrafen 'te veel vanuit emoties te hebben geschreven'. 'Oorlogsmisdaden' werden weer 'excessen' en hij bood zijn excuses aan voor de 'vele onevenwichtigheden'. En opnieuw slaagden de lobby oud-Indië-militairen en de gevestigde machten binnen het overheidsapparaat erin verder onderzoek te voorkomen. Toch vindt Scagliola dat De Jong de historicus is die het meeste lef heeft getoond. Zelf is ze expliciet in haar werk: 'Ik heb het wel over oorlogsmisdaden.'

Het archief in Bandung

Over de gewelddadige dekolonisatie is ondanks de passieve houding van de overheid door individuele onderzoekers al veel geschreven. Wat zou nieuw onderzoek nog kunnen opleveren? De initiatiefnemers willen niet alleen in Nederlandse archieven antwoorden vinden op hun vragen, maar ook in Indonesië. 'Ons uitgangspunt is het Nederlandse geweld,' zegt Gert Oostindie. 'Maar om de wedstrijd Ajax-Feyenoord te begrijpen moet je wel naar beide elftallen kijken.' Tot nu toe is er heel weinig bekend over de Indonesische kant van het verhaal. Dat komt omdat de Indonesische archieven zijn verdwenen of ontoegankelijk zijn. Veel ooggetuigen zijn nooit gehoord en nu oud of overleden.


Commentaar: Het lijkt erop dat nuttige idioot Oostindie is ingezet om de gemoederen te sussen, zeker ook gezien zijn houding nu. Hij vindt dat meer onderzoek anno 2016 niet meer nodig is en de rol van historici klaar.
Van hem verscheen vorig jaar 'Soldaat in Indië", waarin echter minder documentatie over de enorme aantallen oorlogsmisdrijven voorkomt. Hij vond het voldoende dat de Tweede Kamer nu een onderzoek heeft aangekondigd en de ministers Koenders en Hennis hebben gesteld daaraan te zullen meewerken.

Extra complicatie is dat net als in Nederland niet iedereen zit te wachten op een onderzoek. 'In Indonesië is er lang een staatsideologie geweest, een mythe dat het hele volk schouder aan schouder streed tegen de Nederlanders. Terwijl er in werkelijkheid veel onderlinge strijd was en er ook veel Indonesiërs die zich tegen de revolutie verzetten werden vermoord. Bovendien had het Indonesische leger het monopolie op de geschiedschrijving. Het was hún revolutie, maar daarin begint nu verandering te komen,' zegt Henk Schulte Nordholt. Hij en zijn mede-initiatiefnemers hebben al jaren contact met Indonesische historici van de Universitas Gadjah Mada in Jogjakarta, die een overzicht willen maken van Indonesische studies over de revolutie. 'Net als wij zijn het allemaal mensen van na de dekolonisatie. Het is niet meer onze eigen, zelf beleefde geschiedenis,' zegt Schulte Nordholt.

De Amerikaanse hoogleraar Zuid-Aziatische studies aan de universiteit van Ohio William Frederick juicht het initiatief voor een nieuw onderzoek toe, maar is tegelijkertijd wat sceptischer dan de initiatiefnemers. Hij is onder meer de auteur van het gezaghebbende Visions and Heat. The Making of the Indonesian Revolution. Op dit moment is hij bezig met een onderzoek naar geweld tijdens de revolutie, waaronder ook de zogenaamde Bersiap-periode: de chaotische maanden in 1945, toen nadat de Japanners waren verslagen duizenden Nederlanders en Indiërs die met hen samenwerkten door nationalistische jongeren werden vermoord. Juist naar deze periode willen de Nederlandse initiatiefnemers ook meer onderzoek doen. Frederick ziet in Indonesië wel enige beweging onder historici om te komen tot meluruskan sejarah, het rechtzetten van de geschiedenis. 'Maar de onafhankelijkheidsstrijd maakt daar nog geen onderdeel van uit,' laat Frederick per mail weten. 'Het is nog steeds een heel gevoelig onderwerp waar tegelijkertijd weinig interesse voor bestaat. Het is dan ook niet te verwachten dat op afzienbare termijn jonge wetenschappers hier serieus mee aan de slag gaan.'


Commentaar: Het is zeer waarschijnlijk dat de verborgen machten de Bersiap hebben georganiseerd met behulp van een groepering à la ISIS om zo vlak na WO2 nog meer chaos te creëren voor de splinternieuwe Indonesische republiek. Tegelijkertijd lijkt het als afleidingsmanoeuvre te dienen voor de vuile oorlog van de Nederlanders. Aldus historica Tineke Bennema en Jeffrey Pondaag:
De Amerikaanse historicus Fredrick zette de discussie op scherp in het interview waarin hij stelde dat er in Nederland nationaal te weinig aandacht is geweest voor de Bersiap.
De moorden werden uitgevoerd "door rebellen, zonder ruggensteun van de regering onder leiding van de populaire Hatta en Soekarno en waren ze veelal niet georganiseerd".

Verder schrijven ze:
Er wordt nu ineens gesproken van vele tienduizenden doden door de Bersiap, voorheen nam men aan dat dat aantal op 'enkele' duizenden lag. Slachtoffers van de Onafhankelijkheidsoorlog: tussen de 100.000 en 300.000. Dat zijn aantallen die schreeuwen om verduidelijking.

De komende tijd zal blijken of de onderzoekers in Indonesië hier de ruimte voor krijgen. Goede graadmeter: het archief van het leger in Bandung. Daar ligt een schat aan materiaal en buitenlandse onderzoekers zijn er niet welkom. Frederick voorziet daarom dat er terughoudendheid zal bestaan over het initiatief. 'In Nederland, maar ook in Indonesië zijn de autoriteiten bevreesd dat er door hernieuwd onderzoek onrust ontstaat. De gebeurtenissen van zeventig jaar geleden zijn nog steeds hot.'

Aanstichter van de zaak-Rawagede Jeffry Pondaag is blij met een mogelijk nieuw onderzoek. Maar hij heeft ook kritische kanttekeningen. Het moet niet weer een exclusief Nederlands onderonsje worden. 'De leiding van het onderzoek zou niet in Nederlandse handen moeten komen,' zegt hij. 'Ik hoop dat er een internationaal onderzoeksteam komt. Anders ben je als een slager die zijn eigen vlees keurt.' Maar óf er een nieuw historisch onderzoek komt is vooralsnog onzeker. De linkerkant van de Tweede Kamer, van SP tot D66 is vóór. Maar het CDA liet bij monde van de vertrekkende Henk Jan Ormel weten niet meteen warm te lopen. 'We zijn nu vooral bezig met de euro.' De VVD heeft nog niet gereageerd. Bij het KITLV raken ze niet in mineur doordat er nog geen uitsluitsel is. Dat vergt tijd en het is nu zomerreces. 'We denken dat de politiek wel in beweging komt. Rond de Indiëherdenking in augustus kloppen we wel weer op deur,' zegt Henk Schulte Nordholt.

De stellingname van Van Randwijk

Volgende week wordt herdacht dat Nederland zijn grootste oorlog ooit begon, tegen de piepjonge Indonesische Republiek. Toenmalig Vrij Nederlandhoofdredacteur Henk van Randwijk schreef in juli 1947 een 'iconisch stuk' dat dwars tegen de oorlogszuchtige stemming in ging. Op 21 juli, precies 65 jaar na het begin van wat de 'eerste politionele actie' is gaan heten, zendt Nederland 2 een reconstructie uit van wat er die dag in 1947 gebeurde. In de (al opgenomen) uitzending neemt Maartje van Wegen, gekleed in een sobere, bruin-beige outfit, plaats achter de presentatiedesk. Ze schakelt over naar Batavia, het PvdA-hoofdkantoor en het Binnenhof, waar oud-journalisten als Fons en Ed van Westerloo en Eef Brouwers de rol spelen van verslaggevers ter plaatse, compleet met hoed en double-breasted kostuum. Aan het slot van de reconstructie komt toenmalig Vrij Nederland-hoofdredacteur Henk van Randwijk in beeld, gespeeld door acteur Diederik van Vleuten. Van achter zijn typemachine leest hij voor uit zijn artikel 'Omdat ik Nederlander ben', dat in de week waarin de Nederlandse troepen ten strijde trokken tegen Indonesië op de voorpagina van Vrij Nederland stond.

Het idee voor de reconstructie komt van voormalig hoofdredacteur van NOVA en bedenker van Andere Tijden Ad van Liempt, en is gebaseerd op zijn boek Nederland valt aan. Van Liempt noemt 'Omdat ik Nederlander ben' ook 65 jaar na publicatie nog steeds een 'iconisch stuk'. 'Het was een cri de coeur van iemand die echt door en door bedroefd was over het besluit om ten oorlog te trekken. Het opvallendst is dat hij het optreden van Nederland gelijkstelde met dat van nazi-Duitsland. Tegenwoordig doen veel mensen daar geringschattend over. Maar toen was het andere koek. Als Van Randwijk, voor velen als hoofdredacteur van het ondergrondse Vrij Nederland dé belichaming van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, het Nederlandse optreden in Indonesië met dat van de nazi's vergeleek, was dat echt wel wat.'


Commentaar: Vergelijk dat met De Telegraaf die campagne voerde voor de veteranen en de verborgen machten.


Henk van Randwijk was een felle voorstander van een onafhankelijk Indonesië. Hij was goed bevriend met Indonesiërs, van wie enkelen actief waren bij het ondergrondse Vrij Nederland. In 1946 maakte hij een reis naar Indonesië waar hij in de bevrijde gebieden sprak met de leiders van de jonge Republiek. Vrij Nederland volgde de aanloop naar de oorlog dan ook met toenemende zorg. In september 1946 schreef de jonge adjunct-hoofdredacteur en latere leider van de Partij van de Arbeid Joop den Uyl over de allereerste berichten die in Nederland doorsijpelden over oorlogsmisdaden gepleegd door Nederlandse militairen. Den Uyl citeerde uit een brief van een gewetensvolle anonieme marinier die op Java was gestationeerd en die beschreef hoe zijn collega's zich te buiten gingen aan zinloos geweld. 'Mijn grote grief is dat gevangenen niet alleen geslagen maar ook werkelijk gemarteld en gefusilleerd worden,' schreef de militair. 'In hoeverre dit bij de opperste leiding bekend is weet ik niet, maar dat hier ten strengste wordt ingegrepen en zo snel mogelijk is noodzakelijk. Het Nederlandse volk stelt zich hier op een lijn met de Duitsers en Japanners.' Den Uyl concludeerde dat als de Nederlandse regering niet kon garanderen dat het leger van 'deze Gestapo-methoden' werd gezuiverd, haar vele 'schone verklaringen' over de vredelievende militairen die rust en orde kwamen brengen voor de bevolking niet meer dan 'huichelarij' waren.

Een jaar later, op 5 juli 1947, kwam Vrij Nederland met nieuwe onthullingen, dit keer over grootscheepse oorlogsmisdaden tijdens zuiveringsacties op Zuid-Celebes onder leiding van de beruchte kapitein Raymond 'de Turk' Westerling. Bij het stuk stond een uitgebreid hoofdredactioneel commentaar waarin Van Randwijk aandrong op een onderzoek door een onafhankelijke rechter en een parlementaire enquête. Het Nederlandse volk moest volgens Van Randwijk 'op een of andere manier met deze zaak in het reine komen'.

Het zou er niet van komen. Westerling noch zijn ondergeschikten zijn ooit vervolgd, een onafhankelijk onderzoek is nooit ingesteld. De zaak bleef dooretteren tot de dag van vandaag. Onlangs dienden nabestaanden van Westerlings bloedbaden een verzoek in bij de Nederlandse staat om alsnog schadevergoeding te krijgen.

Twee dagen na het begin van wat de toenmalige regering eufemistisch een 'politionele actie' noemde, op dinsdag 22 juli 1947, zat Henk van Randwijk thuis aan de Stadionkade 88 achter zijn typemachine, waar hij tijdens de oorlog ook zo vaak zijn stukken had geschreven. Hij tikte 'Omdat ik Nederlander ben' achter elkaar op, gedreven door woede. Net daarvoor had hij toenmalig premier Louis Beel op de radio horen mededelen dat Nederlandse militairen 'een ander volk met tanks en bommen te lijf zouden gaan'. De aankondiging werd afgesloten met het Wilhelmus. Schandalig, vond Van Randwijk. 'De betikte vellen vlogen zijn machine uit,' zou zijn echtgenote Ada van Randwijk later vertellen in de biografie die in 1988 over haar man verscheen.

Van Randwijk wijdde bittere woorden aan Haagse politici die volgens hem niet uit waren op 'een goede verstandhouding tussen twee vrije volkeren' maar op een 'herstel van de Nederlandse overmacht'. Van Randwijk vond dat hij niet kon zwijgen: 'Ik spreek omdat ik Nederlander ben. Omdat ik Nederlander ben zeg ik nee! Tegen geweld, dat thans door ons in Indonesië gepleegd wordt. (...) Door in Indonesië een koloniale oorlog te ontketenen begaat Nederland een politieke dwaasheid. Ik hoop vurig dat het Nederlandse volk bij machte zal zijn de regering te dwingen op deze heilloze weg halt te houden. Eerst dan kan ons Wilhelmus opnieuw klinken en meegezongen worden.'

Dat Van Randwijk de oorlog in Indonesië veroordeelde als 'een zedelijk kwaad en een politieke dwaasheid', was geheel tegen de tijdgeest in. De stemming in het land én op het Binnenhof was in die dagen ronduit oorlogszuchtig. Zijn biografen Gerard Mulder en Paul Koedijk noemen 'Omdat ik Nederlander ben' in hun boek het journalistieke hoogtepunt van Van Randwijks carrière als hoofdredacteur van het bovengrondse Vrij Nederland. 'Het was dapper om in de wetenschap voor landverrader te zullen worden uitgemaakt, te protesteren tegen de oproep dat de rijen gesloten dienden te worden. Alleen al die Zivilcourage die de auteur heeft moeten opbrengen, maakte "Omdat ik Nederlander ben" tot een bijzonder getuigenisartikel.'

Maar leidde het artikel ertoe dat er écht iets veranderde? Nou nee. De oorlogstrein denderde door, ook al bleef Van Randwijk ook in de twee jaar die volgden waarschuwen voor de funeste beslissingen die de Nederlandse regering nam. Over de invloed van zijn schrijfsels had Van Randwijk aan de vooravond van het tweede militaire ingrijpen weinig illusies. 'Het oordeel van een zekere mijnheer Van Randwijk kan niet langer van enige invloed zijn,' schreef hij op 18 oktober 1948. Ad van Liempt vindt zijn stuk desondanks van grote waarde: 'Het was een opvallend geluid in een tijd dat de meerderheid van de bevolking vond dat we er juist nog harder tegenaan moesten. Van Randwijk was zijn tijd ver vooruit. Het land was op dat moment nog helemaal niet toe aan een weloverwogen en volwassen dekolonisatiebeleid. Dat zat er toen helemaal niet in.'
'H.M. van Randwijk. Een biografie' van Gerard Mulder en Paul Koedijk, uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar, is alleen nog maar antiquarisch te verkrijgen. Voor dit stuk is ook gebruikgemaakt van 'Joop den Uyl 1919-1987. Dromer en doordouwer' van Anet Bleich, uitgegeven door Balans