© ANP
Het moet de bevrijde burgers van Limburg, Brabant en Gelderland zwaar te moede zijn geweest toen zij ontdekten dat uitgerekend de geallieerden hun huis hadden leeggeroofd en gesloopt. Een ongemakkelijke geschiedenis die onder het vloerkleed werd geveegd.
Burgemeester Jan van Banning van het Limburgse Gennep trok op 21 februari 1945 de stoutste schoenen aan die hij kon vinden. Hij waagde het die dag om zich te wenden tot de minister van oorlog in Londen over een uiterst precair onderwerp: plundering en vernieling waaraan uitgerekend de bevrijders zich 'in ernstige mate' schuldig maakten. Als het een incident was geweest, had de burgemeester het 'niet gewaagd onder deze moeilijke omstandigheden' de aandacht hiervoor te vragen. "Thans is echter de bevolking, reeds zo zwaar getroffen, een nieuwe ramp overkomen", zo schreef hij.

Van Banning durfde aan de bel te trekken omdat hij van vele collega-burgemeesters gruwelverhalen had gehoord die verdacht veel leken op die van de inwoners van zijn eigen gemeente. In zijn brief noemde hij brandkasten die her en der waren geforceerd, antiek dat uit huizen was gestolen en schilderijen die uit hun lijsten waren gesneden.

Een 'vooraanstaand figuur uit de illegale actie van eenvoudige huize' trof zijn ijssalon volkomen vernield aan na een bezoek van geallieerde soldaten. De motoren van de koelmachines waren verdwenen en het meubilair lag buiten op een hoop. Van het plaatselijke ziekenhuis was beddengoed, meubels en schilderijen op straat gegooid.

"Het komt ondergetekende voor dat het onderscheid tussen vijandelijk en bevriend gebied hier verloren is gegaan en een behandeling geschiedt als ware het bezet gebied". Hij vond dit zo erg dat hij op het eind van de brief het niet kon laten de situatie van twee sanatoria en verschillende woonhuizen met 400 patiënten te berde te brengen. "Daar hebben de Duitsers, om begrijpelijke redenen, bedden en beddengoed achtergelaten. De geallieerde troepen die deze gebruikten en meenamen, zullen er zeker niet wel bij varen."

Summiere berichtgeving

In het Nationaal Archief in Den Haag zitten in een map van het ministerie van defensie tientallen brieven en rapporten - de een woedend van toon en de ander vol ongeloof - over de pijnlijke ervaringen van Nederlanders die met nog de roes van de bevrijding in hun hoofd ontdekten dat hun huis was leeggehaald, bevuild en gesloopt.

Deze zaken haalden toen niet de publiciteit. De weinige - veelal voormalig-illegale - kranten die toen verschenen, schreven alleen over de plunderingen van Duitse kant. Later besteedden lokale historische verenigingen er mondjesmaat en in bedekte termen aandacht aan. Er was geplunderd, maar de daders lieten de schrijvers vaak achterwege.

© Sander Soewargana
Ook in de jaren daarna haalden de plunderingen en vernielingen van Britse, Canadese, maar vooral Amerikaanse militairen op een enkele uitzondering na, de geschiedenisboeken niet. Loe de Jong schreef er in zijn omvangrijke magnum opus over de Tweede Wereldoorlog iets meer dan een pagina over.

De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek deed naar de oorlogsjaren en die daarvoor 850 getuigen opriep en 19 boekdelen publiceerde, liet het onderwerp geheel buiten beschouwing. Terwijl de onderzoekers ongetwijfeld kennis hebben gehad van de talloze brandbrieven die generaal Hendrik Kruls over de plunderingen naar verschillende ministers van oorlog heeft gestuurd.

Generaal Kruls stond aan het hoofd van het Militair Gezag. Deze organisatie moest in de net bevrijde gebieden tijdelijk het gezag voeren, totdat de regering uit ballingschap zou terugkeren. Het moest dus openbare diensten zoals de gezondheidszorg laten functioneren, het verzorgde evacués en distribueerde het nog schaarse voedsel onder de bevolking. Het was dus Kruls die de over het gedrag van geallieerde soldaten ontdane burgemeesters op zijn stoep kreeg.

De eerste alarmerende rapporten en brieven dateren van oktober. Op 12 september 1944 verschenen in het Limburgse Mesch de eerste geallieerde militairen op Nederlands grondgebied. De troepen stoomden daarna snel door naar noordelijke delen van Limburg. Op 17 september begon Operatie Market Garden, een ultieme poging de bruggen tot en met Arnhem onder controle te krijgen en zo een doorbraak door de Duitse linies te bewerkstelligen.

Kwaad bloed

Deze poging mislukte met als gevolg dat de opmars van de legers langzaam maar zeker bij de grote rivieren tot een halt kwam. Toen begon in de buurt van Venlo de ellende die bij veel burgers kwaad bloed zette. Van daaruit is aan de hand van de klachten een spoor te trekken naar het zuiden van Arnhem en naar het oosten in Brabant en Gelderland.

In november 1944, nadat de eerste berichten op zijn bureau belandden, stelde Kruls op terughoudende toon hierover vragen aan Shaef, het hoofdkwartier van de geallieerde troepen. Hij kreeg daarop een bits antwoord van generaal Lewis uit Brussel, die uitlegde dat er in elk leger er wel wat rotte appels zaten en dat de leiding er niettemin in was geslaagd om het plunderen tot een minimum te beperken.

Dat burgers toch klaagden kwam volgens Lewis doordat zij de schade die de Duitse bezetter in eerdere jaren had aangericht op het conto van geallieerden wilden schuiven in de hoop zo een vergoeding binnen te kunnen slepen. Die profiteurs waren er in alle landen. Bovendien zitten onder de burgers 'men of bad character' die spullen van buren roven. De Nederlanders moesten, zo luidde samengevat zijn conclusie, niet zeuren.

Kruls en minister van oorlog Van Lidth de Jeude kregen echter ook bericht van Shaef-generaal Hayes die met eigen ogen de situatie was gaan bekijken. Hij berichtte hen over Groesbeek waar soldaten wagens vol hadden geladen met tafelzilver, linnen, antiek en aardewerk. Alle brandkasten werden opgeblazen, zelfs die van de sacristie van een katholieke kerk. Uit de daar opgeborgen monstrans waren de edelstenen gesloopt.

Dat soldaten uit het gemeentehuis de stalen archiefkasten meenamen was tot daar aan toe, volgens de generaal. Erger was dat zij de inhoud op straat hadden gegooid, zodat de hele gemeenteadministratie verloren ging. Burgers waren blij met de bevrijding, zo concludeerde hij, maar kregen het gevoel van de 'frying pan into the fire' terecht te zijn gekomen.

Bevuild

Toen de klachten aanhielden, vroeg Kruls een eigen assistent, majoor Pierson, om een rapport over de Betuwe. "Alle huizen zijn opengebroken, van onder tot boven ondersteboven gehaald en/of leeggestolen", schreef hij in februari 1945 aan Kruls. Dat burgers dit hadden gedaan, zoals generaal Lewis opperde, achtte hij uitgesloten. "Deze (de dorpen, red.) zijn tot militaire zones verklaard en geen enkele burger wordt toegelaten." Hij had met eigen ogen gezien dat burgers de huizen in goede staat hadden achtergelaten.

Daarnaast schrok Pierson zich een ongeluk over de moedwillige en onnodige vernielingen die door geallieerde militairen aan huizen werden aangericht. "Meubels worden stukgeslagen, alle kasten en laden worden opengebroken en de inhoud verspreid, bevuild, deuren en ramen opengelaten, zodat alles bloot staat aan de elementen", schreef hij aan Kruls.

Hij was verontwaardigd over het feit dat militairen oefeningen in straatgevechten hielden in ongeschonden huizen, terwijl dat evengoed had kunnen gebeuren in straten die onder het oorlogsgeweld hadden geleden. Hij was er getuige van dat in het gehucht Eimeren vijf boerderijen met 'grote voorraden veevoeder en ongedorste tarwe' met vlammenwerpers in brand werden geschoten. Pierson protesteerde daarop bij de betreffende officier en die stopte de oefening. Voor de boerderijen was dat te laat, die gingen verloren.

Pierson constateerde dat het verblijf van met name de Amerikaanse legers desastreus uitpakte voor de bevolking. De ervaring wees volgens hem uit dat wanneer een leger vlug optrekt door bevolkte gebieden, er weinig geplunderd wordt. "Totale of bijna totale plunderingen en vernielingen zijn absoluut zeker wanneer een leger langzaam optrekt in ontvolkte gebieden", zo stelde Pierson aan zijn chef.

Slechte verhoudingen

De militaire ontwikkelingen waren in februari 1945 nog niet erg helder en dus klom Kruls hoog in de boom. In een brief aan de minister van oorlog maakte hij duidelijk dat op verschillende terreinen, maar vooral op die van de aanhoudende plunderingen, de verhouding met de geallieerden slecht was. Hij wilde een laatste poging doen 'om nog te redden wat er te redden valt'. Mocht dit mislukken dan 'ware het beter M.G. terug te trekken en de verantwoordelijkheid uitsluitend op de geallieerden te laten drukken'.

Het is de vraag of er een duidelijke reactie is gekomen. Want in een brief van 12 maart aan de nieuwe minister van oorlog, De Booy, zag hij zich 'genoodzaakt' de kwestie van 'vernieling en roof' nogmaals aan de orde te stellen. "De dossiers met klachten worden met de dag groter." En twee weken later stelde hij voor om het onderwerp bij de allerhoogste baas, Winston Churchill, ter sprake te brengen.

Dat Churchill hierbij te hulp is geschoten is onwaarschijnlijk. Feit is dat na eind maart 1945 de klachten verdwenen. Dat had vermoedelijk te maken met het gegeven dat vanaf begin april de geallieerden weer in hoog tempo noordwaarts trokken om eerst Noord-Nederland en daarna de Randstad te bevrijden. Zoals majoor Pierson al constateerde, maken bewegende legers zich veel minder schuldig aan criminele activiteiten. Voor delen van Limburg, Brabant en Gelderland ging dit niet op.