Rohingya Myanmar

Bengaalse immigranten in Myanmar
Het is maar al te makkelijk voor westerse overheden, hun media en 'ngo's' om te spelen met de gevoelens van de westerse bevolking. Een humanitaire crisis kan zich jaren voortslepen, maar als westerse regeringen er geen baat bij hebben (of er deels verantwoordelijk voor zijn) delen de westerse media weinig mee en beseft de bevolking van westerse naties niet wat er zich afspeelt. Indien, daarentegen, de westerse regeringen besluiten dat een bepaalde aangeslagen groep mensen de volgende humanitaire cause célèbre moet worden ten dienste van geopolitieke intrige wordt de westerse pers geactiveerd en opeens is eenieder 'strijdlustig' en roept dat er 'iets' gedaan moet worden om deze arme [voeg hier de naam van een etnische of religieuze groep in een specifieke geopolitieke hotspot in] te helpen. Je zou het 'humanitair imperialisme' kunnen noemen.

De hele wereld volgde een aantal masterclasses in dit type manipulatie, in 1991 van baby's in couveuses in Koeweit, het helpen van arme Bosnische en Kosovaarse moslims in 1999 in Joegoslavië en 'de 45 minuten naar de vernietiging door Irakese MVW's' in 2003 tot de recentere en niet doordachte truc rond de bewering dat een bepaald leider van een bepaalde natie een 'dictator [is] die zijn eigen mensen omlegt'. Ondanks de mogelijkheid om voor zichzelf informatie in te winnen over hoe de wereld in het echt werkt, kan men nog steeds vertrouwen op de wereldbevolking, net zoals Pavlovs honden, bij het luiden van de 'humanitaire' bel om op de verkeerde manier te reageren.

Zoals in het geval van de recente 'humanitaire' crisis in Myanmar waar we meegedeeld worden dat de 'Rohingya' vervolgd worden door het leger van Myanmar en als antwoord zette een 'voorheen onbekende groep', het 'Leger des Heils van Rohingya' in oktober 2016 de aanval in op militaire posten aan de grens met Bangladesh. Daarbij vermoordden ze politiemannen en lokten ze wraakacties uit van Myanmarese veiligheidstroepen die nog steeds voortduren en zetten zo aan tot de 'humanitaire' crisis waar eenieder in het westen zich druk over zou moeten maken. De bron van de moderne versie van de crisis kan teruggevoerd worden naar 2012 toen er in Rakhine rellen uitbraken nadat een boeddhistische vrouw uit Rakhine naar verluidt verkracht en vermoord werd door Rohingya. Tien Rohingya werden omgebracht door Rakhine-boeddhisten tijdens vergeldingsaanvallen. Rond de maand augustus van dat jaar kwamen 57 moslims en 31 boeddhisten om en naar schatting 90.000 mensen raakten door het geweld ontheemd. Ongeveer 2528 huizen gingen in vlammen op, waarvan 1336 huizen behoorden tot Rohingya-moslims en 1192 tot Rohingya-boeddhisten.

Hoewel de westerse media vastbesloten lijken om de situatie in de staat Rakhine in simplistische termen te brengen; een stateloos volk vervolgd door de Myanmarese autoriteiten, kan men het probleem slechts vatten in de context van vorige en hedendaagse geopolitieke games die door grote wereldmachten worden gespeeld, waarvan de VS de meest noemenswaardige wereldmacht is.

Birma, Oost-Pakistan en het 'Grote Spel'


Ongeveer 90% van de bevolking van Myanmar zijn 'Oost-Aziatisch', oftewel, ze zien er 'oosters' uit en hetzelfde aantal is boeddhistisch. In de westerse Myanmarese staat Rahkine die grenst aan de Golf van Bengalen zijn er ongeveer 5 miljoen etnisch Rakhinese of Arakanese personen die ook overwegend boeddhistisch zijn en van oorsprong uit het gebied komen dat nu Bangladesh en India bestrijkt. Daarbij opgeteld zijn er ongeveer 1 miljoen zogenaamde 'Rohingya-inwoners' in Rakhine die islamitisch zijn en oorspronkelijk uit Bangladesh, Pakistan en India komen. Velen van de 'Rohingya' momenteel in westelijk Myanmar emigreerden daarnaartoe in de loop van de vorige eeuw op de vlucht voor armoede en conflict in Bangladesh. Tijdens de Britse heerschappij in India verplaatsten de Britse autoriteiten grote aantallen mensen vanuit Bengalen (het huidige Bangladesh) naar Brits Birma om te werken op de thee- en rubberplantages. Duizenden Bengalen werden ook aangesteld door de Pakistaanse ISI (die verbonden is aan de CIA) om de Sovjets te bestrijden in Afghanistan.

Partition of India 1947

De kaart die de opdeling van India in India en Pakistan, Oost en West, toont
Direct na de Tweede Wereldoorlog noemde de Bengaalse moedjahedien afkomstig uit wat toen Oost-Pakistan was zichzelf 'Rohingya' en begon met het zaaien van kleinschalige tweedracht vis-à-vis de Birmese autoriteiten in een poging om Noord-Rakhine te 'bevrijden' en het in te lijven bij het toenmalige Oost-Pakistan (het hedendaagse Bangladesh). Toen Birma in 1948 onafhankelijk werd (van de Britten) beschuldigde de Birmese regering de moedjahedien (en impliciet dus ook de Pakistaanse overheid) van het aanmoedigen van de illegale immigratie van duizenden Bengalezen uit Oost-Pakistan naar Rakhine in een poging het te annexeren. In de loop van de daaropvolgende 10 jaar boekte het Birmese leger succes met het verslaan van de 'Rohingya', t.w. de Bengaalse moedjahedien, zodat velen zich gedwongen zagen om te vluchten, terug naar Oost-Pakistan, alhoewel vele Birmese boeddhisten omgelegd werden. In 1962 ten gevolge van minderheidsgroepen, waaronder de Bengaalse moedjahedien, die de federalisering van Myanmar wilden doordrukken, greep het Myanmarese leger tijdens een coup naar de macht, daarmee een dictatuur vestigend die tot 2011 standhield.

Toen er een eind kwam aan de Britse heerschappij in India in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog werd het subcontinent opgedeeld in India en Pakistan, een staat met een overwegend islamitische bevolking verdeeld over twee grondgebieden aan elke kant van India. Hoewel de bevolking van beide gebieden bijna identiek was, beschikte West-Pakistan over een veel grotere landmassa en was de politieke macht daar geconcentreerd. In 1948 werd Urdu op laste van de Pakistaanse overheid de enige taal van de nieuwe natie, dat massale protesten op Pakistans oostelijk grondgebied (toen Oost-Bengalen genaamd) waar de overgrote meerderheid van het volk Bengalees was en Bengaals sprak teweegbracht.

In 1949 vormden Bengalese nationalisten de 'Totaal Pakistan Awami Moslim-Liga' om de belangen van Oost-Pakistanen te vertegenwoordigen. Geconfronteerd met toenemende sektarische spanningen en massale ontevredenheid over de nieuwe wet verbood de regering publieke bijeenkomsten en betogingen. De studenten van de Universiteit van Dhaka en andere politieke activisten trotseerden de wet en organiseerden op 21 februari 1952 een protest dat resulteerde in de dood van verscheidene student-demonstranten door de politie. De doden ontlokten wijdverspreide burgerlijke onrust en na vier jaar van nog meer onrust gaf de centrale overheid zich gewonnen en verleende in 1956 officiële status aan de Bengaalse taal. Desondanks vond de bevolking van Oost-Bengalen (tegen 1955 was het tot Oost-Pakistan hernoemd) dat ze werden uitgebuit door West-Pakistaanse autoriteiten en gediscrimineerd in de regering, industrie, bureaucratie en de strijdkrachten. In 1953 werd het woord 'moslim' in de naam van de Awami-liga weggelaten om zo de algemeen seculaire focus van de politieke groepering te weerspiegelen.

Sheik Mujibur Rahman

Mujib kondigt het zes punten-plan in Lahore, Oost-Pakistan aan
Toen in 1970 de Awami-liga geleid door Sheik Mujibur Rahman (bekend als de grondlegger van Bangladesh) een enorme overwinning behaalde tijdens de eerste open verkiezingen sinds 10 jaar werd het resultaat tenietgedaan door de militaire junta in West-Pakistan. De Awami-liga lanceerde de Zes Punten-Beweging (die opriep tot grotere autonomie voor Oost-Pakistan) en Non-Coöperatie Beweging die uitmondde in de Bevrijdingsoorlog van Bangladesh die de derde militaire confrontatie tussen Pakistan en India (de eerste twee draaiden om Kashmir) met zich meebracht. De oorlog was in wezen een poging van de West-Pakistaanse militaire overheid om de onafhankelijkheidsbeweging in Oost-Pakistan te verpletteren, maar gegeven het feit dat deze gebeurtenissen plaatsvonden tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog, handelde de Pakistaanse regering zeker niet alleen. Pakistan bevond zich (sinds 1950) verregaand in de 'westerse' (Amerikaanse) invloedssfeer terwijl India 'niet-gebonden' was, wat voor Nixons nationaal veiligheidsadviseur, Henry Kissinger, toentertijd 'te amicaal met de Sovjets' betekende.

De wapens - verstrekt door de regering-Nixon via Jordanië en Iran (een schending van Congressionele beperkingen) - ter hand nemende slachtte het westerse Pakistaanse leger op zijn minst 500.000 Bengalezen af. Tijdens deze inspanning werden ze gesteund door Bengalees Jamaat-e-Islami, een islamitische politieke partij die een extreme vorm van de islam voorstond en zich sterk verzette tegen een onafhankelijk Bangladesh. Van partijactivisten was bekend dat ze met Pakistaanse inlichtingen- (ISI) en derhalve ook met Amerikaanse inlichtingen-operatieven samenwerkten. Ten gevolge van de genocide tijdens de oorlog vluchtten rond 2 miljoen Bengalese vluchtelingen naar Rakhine in Myanmar. Vandaag de dag bestaan velen van de Rohingya uit deze vluchtelingen en hun kinderen.

In tegenstelling tot tegenwoordig, waarbij Amerikaanse regeringen neigen tot het maken van grote ophef over een dictatuur die naar verluidt 'zijn eigen mensen ombrengt', bleven Nixon and Kissinger onverstoord over de zeer heuse genocidale neigingen van de West-Pakistaanse regering vis à vis hun onderdanen in Oost-Pakistan.

Zoals onthuld door banden en documenten van het Witte Huis steunden Nixon en Kissinger hun Pakistaanse bondgenoten volledig en waren ze boos dat de Indiase overheid de waanzin een halt probeerde toe te roepen. Toen ze de zaak in het Oval Office bespraken zei Nixon tegen Kissinger dat "de Indiërs een massale hongersnood nodig hebben" terwijl Kissinger de spot dreef met diegenen die "bloeden voor de stervende Bengalen" en India een "Sovjet-stroman" noemde. Dat Pakistan een militaire dictatuur was en India een volgroeide democratie vonden deze twee toonbeelden van deugdelijkheid niet belangrijk.

Met de afslachting van Oost-Pakistaanse hindoes en Bengalen in volle gang, arriveerde er een protest-telegram in Washington die de medeplichtigheid van de Amerikaanse regering verwierp en dat door het Amerikaanse consulaat in Oost-Pakistan was verstuurd. Het was ondertekend door de consul-generaal, Archer Blood, en 20 stafleden. Het verklaarde, deels:
Onze overheid heeft verzuimd om de onderdrukking van democratie af te keuren. Onze overheid heeft verzuimd om gruweldaden te verwerpen. Onze overheid heeft verzuimd om dwingende maatregelen te treffen om zijn burgers te beschermen terwijl het zich tegelijkertijd in allerlei bochten wringt om de door de West-Pak[istanen] gedomineerde overheid te sussen en om wat voor negatieve internationale public relations dan ook, wat hen toekomt, te verzwakken.

Onze overheid heeft datgene aangetoond wat velen zullen zien als bankroet van de moraal; het is ironisch dat de SU tegelijkertijd president Yahya Khan [toenmalig president van Pakistan] een bericht stuurde en de democratie verdedigde, de arrestatie van een leider van een trouwens prowesterse democratisch gekozen partij veroordeelde en een oproep deed om onderdrukkende maatregelen en bloedvergieten te beëindigen...

Maar we hebben ervoor gekozen om niet tussenbeide te komen, zelfs op moreel vlak, in de afweging dat het Awami-conflict waarop de versleten term genocide van toepassing is, puur een interne zaak is van een soevereine staat. Particuliere Amerikanen hebben blijk gegeven van hun walging. Wij als professionele ambtenaren geven te kennen dat wij het niet eens zijn met het huidige beleid en hopen vurig dat onze ware en duurzame belangen hier bepaald kunnen worden en ons beleid bijgestuurd.
Consul-generaal Archer Blood zelf voorzag het ministerie van Buitenlandse Zaken en Henry Kissingers nationale veiligheidsraad rechtstreeks van een verslag van een episode van de genocide. Hij vertelde hoe, nadat hij hun hinderlaag grondig had voorbereid, Pakistaanse soldaten de slaapzaal voor vrouwen op de Universiteit van Dhaka in brand staken; en terwijl de inwonenden het gebouw ontvluchtten ze neergehaald werden met door de VS geleverde machinegeweren. 10.000 mensen werden in de eerste drie dagen vermoord. Bengalese intellectuelen waren ook het doelwit (zoals vaak het geval is in dergelijke situaties); rond de 300 dokters, professoren, schrijvers en docenten werden tijdens de laatste dagen van het conflict bijeengedreven en vermoord.

Nixon en Kissinger kunnen echter niet beschuldigd worden van complete inactiviteit in reactie op de situatie. Spoedig nadat Archer Bloods telegram was verzonden werd hij uit zijn functie ontheven en zodra Kissinger in 1973 minister van Buitenlandse Zaken werd kregen diegenen die het genocide-protest in 1971 hadden ondertekend een demotie.

In december 1971 gaf het Pakistaanse leger zich over aan de verenigde machten van het Bengaalse 'Mukti Bahini' en het Indiase leger en zo kwam er een einde aan de Bevrijdingsoorlog van Bangladesh. Sheik Mujibur Rahman (de prowesterse leider van de Awami-Liga die in Bloods telegram werd genoemd) werd in West-Pakistan uit de gevangenis vrijgelaten en werd de eerste premier van de nieuwe natie Bangladesh. Afgezien van zijn afkeer van de idee van onafhankelijkheid voor Oost-Pakistan vanwege geopolitieke en ideologische redenen, had Kissinger de kous op de kop gekregen door negatieve mediaberichten over de oorlog en hij gaf de Awami-Liga en zijn leider 'Mujib' (zoals Rahman bekend stond) hiervan de schuld. Spoedig zou hij wraak nemen.

CIA-coups door de generaties heen en Amerika's jihad

Khondaker Mostaq Ahmad
Mujib diende als de eerste president van Bangladesh van 11 april 1971 tot 12 januari 1972, vervolgens als premier van 12 januari 1972 tot 24 januari 1975 en toen weer als president van 25 januari 1975 tot 15 augustus 1975. Op de avond van 15 augustus 1975 viel een groep lagere legerofficieren met tanks de presidentiële woning binnen en vermoordde Mujib, zijn familie en persoonlijke staf. Slechts zijn dochters Sheikh Hasina Wajed en Sheikh Rehana die in West-Duitsland op bezoek waren wisten te ontkomen. Zoals onthuld door de oudgediende journalist Lawrence Lifschultz in een artikel uit 2005 in de Bengaalse krant The Daily Star liep het spoor wat betreft de sluipmoord op Mujib die Bangladesh een aantal jaar onderdompelde in bloedige coups en tegencoups rechtstreeks naar de CIA. De voornaamsten onder de samenzweerders waren Knodaker Mostaq Ahmad en generaal Ziaur Rahman. Mostaq was lid van de Awami-Liga en een intieme vertrouweling van Mujib. Hij was niettemin ook betrokken bij geheime onderhandelingen met Amerikaanse officials en de Pakistaanse autoriteiten om een beslechting behalve onafhankelijkheid voor Bangladesh af te dingen.

Een paar maanden vóór de moord op Mujib en zijn familie had Mostaq de Amerikaanse ambassade benaderd om lokale Amerikaanse steun te verwerven voor de coup tegen Mujib. De Amerikaanse ambassadeur destijds was Eugene Boster. Boster zei tegen Lawrence Lifschultz dat hij in 1975 persoonlijk strikte instructies had gegeven dat het ambassadepersoneel geen nader contact met wat voor een groepering dan ook die een staatsgreep overwoog mocht hebben. Dit reikte tot de baas van de CIA-standplaats, Philip Cherry en zijn staf. Boster geloofde echter dat men een "eindmanoeuvre" had uitgevoerd om zijn autoriteit als ambassadeur te omzeilen. Toen Boster overpeinsde wie er in het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken de bevoegdheid of aanvechting had om de bevelen van de ambassadeur in Dhaka te herroepen was het overduidelijke antwoord de 'president van buitenlandbeleid', Henry Kissinger, die de minister was van Buitenlandse Zaken in de nieuwe regering-Ford. Toen Lifschultz in 1976 Mostaq in zijn huis in Dhaka bezocht, maanden na de moord op en kort nadat Mostaq zelf was afgezet door generaal Ziaur Rahman, weigerde Mostaq antwoord te geven op welke vraag over de coup dan ook, en stelde slechts dat Lifschultz het bij Nixon and Kissinger diende na te vragen aangezien zij "alles wisten".

Kissinger and Nixon

Kissinger en Nixon lachen in hun vuistje, 1971
Nog zo'n samenzweerder inzake de door de VS gesteunde coup en moord op Mujib zoals onthuld door Lifschultz was Ijlal Haider Zaidi, een hoge ambtenaar in de Pakistaanse overheid. In 1975 was Zaidi ook lid van de 'Afghaanse Cel', een soort clearing house voor Pakistaanse inlichtingendiensten en het ontwikkelen van beleid in Afghanistan. Deze 'Afghaanse Cel' was zwaar geïnfiltreerd door Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten en was verantwoordelijk voor het bij elkaar brengen van de zeven religieuze islamitische partijen van Afghanistan die Pakistan als 'legitieme heersers' erkende. Binnen een paar jaar werden deze 'legitieme heersers' de 'Afghaanse moedjahedien' die getraind en bewapend werden door de CIA in het kader van 'Operation Cyclone' (en publiekelijk goedgekeurd door de Amerikaanse nationaal veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski) om oorlog te voeren tegen de Sovjets in Afghanistan. Het is geen geheim dat de CIA en Brzezinski's Afghaanse moedjahedien later omgetoverd zouden worden tot 'Al Qaida'.

In 2004 probeerde men de dochter van Sheikh Mujibur Rahman ('Mujib'), Sheikh Hasina, die destijds de president was van de Awami-Liga van de oppositie van het leven te beroven. De aanval werd uitgevoerd door de islamitische fundamentalistische organisatie, Harkat-ul-Jihad al-Islami, en ging gepaard met 13 granaten die door leden in de menigte waar Hasina sprak werden gegooid. De eerder genoemde Bengaalse Jamaat-e-Islami die had deelgenomen aan het afslachten van Bengalen tijdens de Bevrijdingsoorlog van Bangladesh in 1971 en die gefinancierd werd door de Pakistaanse inlichtingendiensten en de CIA was ook verwikkeld in de aanval.

Hasina raakte gewond, maar overleefde de aanval en is tegenwoordig premier van Bangladesh. In 2012 werd Tarique Rahman in absentia berecht voor zijn betrokkenheid bij de aanval. Rahman is de huidige top-vicevoorzitter van de Bangladesh Nationalist Party en de zoon van generaal Ziaur Rahman die betrokken was bij de coup en de moord op Hasina's vader Mujib in 1975 nadat hij was geïnstalleerd als chef van de Bengaalse strijdkrachten en was van 1977 tot 1981 president, zoals hierboven beschreven.

Sheik-Hasina

Current Prime Minister of Bangladesh, Sheik Hasina De huidige premier van Bangladesh, Sheik Hasina
Islamitische groeperingen verwikkeld in de aanval op Hasina (onder vele anderen) - Harkat-ul-Jihad al-Islami - heeft de laatste jaren nauwe banden met 'Al Qaida' en werden geleid door Ilyas Kashmiri en Mufti Abdul Hannan. Beide mannen waren, niet verbazingwekkend, getraind door de CIA en Pakistaanse krachten in Afghanistan gedurende de Sovjet-Afghaanse oorlog. Kashmiri werd in ieder geval een topfiguur van Al Qaida en was betrokken bij de aanslagen in Mumbai in 2008 en de sluipmoord op Benazir Bhutto, om er slechts enkele te noemen (een CIA-aanwinst heeft naar verluidt de logistiek achter de Mumbai-aanvallen verzorgd).

Harkat-ul-Jihad al-Islami wordt geleid door Abdul Quddus, een Birmese moslim die in het begin van de jaren '80 naar Pakistan vluchtte. Daar werd hij ingehuurd door de CIA en Pakistaanse ISI om te strijden in Afghanistan. In 1988 werd de Birmese tak van de organisatie - Harakat-ul-Jihad-al-Islami Arakan - gevormd met het doel om de Birmese staat Rhakine, waar in het noorden de meerderheid moslim is, te 'bevrijden'. Deze groepering is onlangs opgedoken in Myanmar en leidt het propaganda- en militaire offensief om 'de Rohingya-inwoners te bevrijden'. De leider van de organisatie, Abdul Quddus, heeft banden - die goed gedocumenteerd zijn - met Lashkar-e-Taiba of het Leger der rechtvaardigen, een van de grootste islamitische terreurorganisaties van Zuid-Azië die voornamelijk vanuit Pakistan opereert en rechtstreeks gefinancierd en bewapend wordt door Pakistaanse inlichtingendiensten, die op hun beurt een marionet zijn van de Amerikaanse 'diepe staat'. Van Lashkar-e-Taiba is bekend dat ze rekruten trainen uit Atjeh, noordelijk Sumatra ter voorbereiding op de jihad tegen de Myanmarese autoriteiten in Rakhine. De andere groepering verwikkeld in de moordaanslag op Hasina - de Bengaalse Jamaat-e-Islami - is ook ten tonele verschenen ter ondersteuning van de 'Rohingya' en hun (vermeende) aanspraak op een onafhankelijk thuisland in Myanmar.

Betreffende de aanvallen op meer dan 20 Myanmarese militaire posten in Rakhine door onbekende 'opstandelingen' op 25 augustus jongstleden, is het nu duidelijk dat de gelijktijdige aanvallen minutieuze planning vergden. In de maanden voor de aanslagen werden de kelen van zeker 50 mensen, zowel van moslims als boeddhisten, die verdacht werden van het werken als overheidsinformanten doorgesneden of ze werden doodgehakt om zodoende het Myanmarese leger te beroven van inlichtingen in het gebied. Recente berichtgeving van journalisten die in het noordelijke gebied van Rakhine werken suggereert sterk dat lokale inwoners, Bengaalse moslims en boeddhisten eveneens furieus zijn dat deze 'jihadisten' de Myanmarese autoriteiten hebben aangezet tot het aanvallen van dorpen in het gebied.

Verdeeldheid zaaien in Zuidoost-Azië: China is het doelwit

Voor de kust van Rakhine bevindt zich een enorm gasveld 'Than Shwe' genaamd, naar de generaal die als laatste heerste over Myanmar. De gigantische energiereserve werd in 2004 ontdekt. Tegen 2012, toen de eerste rellen en vluchtelingencrisis aanvingen in Rakhine was China bijna klaar met de ontwikkeling van een deel van het gasveld. China heeft nu de Myanmarese haven van Kyaukphyu (in Rakhine) met de Chinese stad Kunming in de provincie van Yunnan verbonden via een olie- en een natuurlijk gaspijpleiding. De oliepijplijn levert Afrikaanse ruwe olie en ruwe olie uit het Midden-Oosten, terwijl de gaspijpleiding hydro-koolstoffen van het Than Shwe-veld naar China transporteert. Deze pijplijnen zijn strategisch belangrijk voor China niet alleen om zijn energieaanvoer te verspreiden maar ook als alternatief voor de scheepvaartroute door de Straat Malakka waarlangs tachtig procent van alle Chinese import en export via zee passeert. In 2015 in een niet zo subtiele boodschap aan China namen de Amerikaanse, Japanse, Australische en Singaporese zeevloten deel aan de 'Talisman Sabre'-oefeningen die blokkades van de straten simuleerden.

China Myanmar pipelines

Chinese olie- en gaspijpleidingen van Rakhine naar China
Onder het mom van een heuse humanitaire crisis kan de strijd in het noorden van Rakhine zich mogelijkerwijs verspreiden naar het zuiden en andere delen van Myanmar en een dreiging vormen voor de bestaande Chinese pijpleidingen aldaar. China heeft ook verschillende toekomstige geplande Chinese projecten in het land, onder meer de Kyauk Pyu Speciale Economische Zone van $10 miljard bestuurd door de Chinese staat gerunde CITIC-Groep, waarover China beweert dat het 100.000 banen in een van de armste regio's in Myanmar zal scheppen. Door een geïsoleerd gebied van instabiliteit in Myanmar te creëren op de stoep van China loopt Pekings 'One Belt One Road-initiatief' - dat erop gericht is om Eurazië op economisch vlak te verbinden - risico. Als jihadistische groeperingen in Myanmar de voet tussen de deur kunnen krijgen worden andere Zuid-Aziatische naties wellicht aangestoken. Daarbij, door het demoniseren van de Myanmarese autoriteiten wegens het vervolgen van de 'Rohingya-moslims' kan er een wig gedreven worden tussen de Myanmarese overheid en andere Aziatische landen waar moslims de meerderheid vormen zoals Indonesië en Maleisië.

Al deze tactieken lijken deel uit te maken van de "draai" van de Amerikaanse regering in Azië die officieel in 2011 uit de doeken werd gedaan door de regering-Obama. Vanuit een onverholen militair perspectief richt deze 'spil' zich op de concentratie van 60 procent van de Amerikaanse marine en luchtmacht in de Zuidoost-Aziatische regio. Vanuit een clandestien militair en politiek perspectief gaat het gepaard met de ontwikkeling van een netwerk van militaire allianties en samenwerkingsverbanden - met inbegrip van geheime Amerikaanse steun voor jihadistische huurlingen (zoals in Syrië) - die noodzakelijk zijn om te strijden tegen China.

Dus, waar komt het op neer? De 'Rohingya-inwoners' zijn etnische Bengalezen uit Bangladesh. Ze 'horen' niet in Myanmar. De reden dat ze er zitten heeft te maken met verschillende factoren, alle het resultaat van westerse bemoeienissen met en wanbeheer van Zuidoost-Azië gedurende de laatste 100 jaar. Vandaag de dag wordt de benarde positie van deze personen uitgebuit door jihadistische groeperingen die historisch gezien als instrumenten door westerse inlichtingendiensten zijn ingezet terwijl ze doorgaan met het spelen van hun eeuwenoude 'grootse spel' van werelddominantie.

Zoals met zo vele andere humanitaire crises maken westerse politici en hun media zich niet echt druk om de benarde situatie van de Bengaalse immigranten in Myanmar. Het lijkt erop neer te komen dat de 'Rohingya's relatieve nieuwkomers uit Bangladesh zijn. Het zijn illegale immigranten waarmee de Myanmarese regering al decennialang worstelt omdat ze de bron zijn van periodieke en serieuze conflicten met de lokale boeddhistische bevolking in West-Myanmar die vrezen dat, naarmate er meer Bengaalse immigranten binnenkomen de lokale boeddhistische cultuur en religie weggevaagd worden. Naast die redelijk normale crisis (nu in ieder geval) hebben ze jihadisten die dit uitbuiten en het schorem ophitsen ten bate van de Pakistaanse ISI en hun westerse maten in dienst van meer grandioze geopolitieke agenda's, t.w. 'pak China'. Daar lijkt het toch wel op.

Zoals Kissinger zelf zei (de woorden nabootsend van de Britse Lord Palmerston, nog zo'n fan van genocide): "Amerika heeft geen eeuwige vrienden of vijanden, slechts belangen." Amerika is geen vriend van de Bengaalse immigranten in Myanmar of van wat voor een onderdrukte en rechteloze groep mensen waar dan ook ter wereld. Ze worden eerder gezien als mogelijkheden om van te profiteren in de klopjacht op macht en controle over zoveel mogelijk natuurlijke bronnen en human resources door de westerse psychopathische elite.