RG Collingwood philosphy
© Nation Portrait Gallery, London. Painting Cortesy Teresa Smith
Robin George Collingwood, filosoof (1889 - 1943)
In de 20e eeuw ontstond in de filosofie een betreurenswaardige kloof tussen de "continentale" en de "analytische" scholen. Zelfs als u nooit het onderwerp heeft bestudeerd, zou u wel eens van deze splitsing gehoord kunnen hebben. Maar zoals de Britse moraalfilosoof Bernard Williams ooit opmerkte is alleen al de karakterisering van deze kloof vreemd - de ene school wordt gekarakteriseerd door zijn kwaliteiten, de andere naar geografisch gebied, zoals men auto's zou onderverdelen in modellen met vierwielaandrijving en auto's die gemaakt zijn in Japan.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat niemand een bevredigende manier heeft gevonden om de scheidslijn tussen beide te trekken. In grote lijnen kan men echter zeggen dat de continentale school haar wortels heeft in de fenomenologie van Edmund Husserl, en een reeks uiteenlopende tradities omvat, waaronder het existentialisme van Jean-Paul Sartre, het structuralisme van Ferdinand de Saussure, het postmodernisme van Jean-François Lyotard en het deconstructionisme van Jacques Derrida. De analytische school daarentegen heeft haar wortels in het werk van Gottlob Frege, Bertrand Russell en Ludwig Wittgenstein en had tot vrij recentelijk een veel beperktere focus, waarbij de naduk vooral op logica en taal lag.

De kloof is zeker vreemd en wellicht arbitrair, maar niettemin diep. Tientallen jaren lang was het mogelijk een academische graad in de filosofie te behalen aan een grote universiteit in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten zonder ooit in aanraking te komen met één van de genoemde continentale filosofen.

Deze versplintering van de discipline zou veel filosofische grootheden uit vroegere tijden hebben geschokt. En - heel misschien - zou deze grote scheuring nooit zijn ontstaan als RG Collingwood, een van de meest opmerkelijke, open en eclectische geesten van de 20ste eeuw, niet vroegtijdig was gestorven in 1943. Hoe dan ook, zijn leerstoel in Oxford werd ingenomen door Gilbert Ryle, een man naar wiens evenbeeld de Britse filosofie spoedig werd herschapen. En een man die meer dan zijn deel deed om de kloof te verankeren.

De Generalissimo

Vóór de Tweede Wereldoorlog stond Ryle sympathiek tegenover de continentale stromingen; in 1932 gaf hij een afgemeten uiteenzetting over het werk van Husserl ten overstaan van de Aristotelian Society en in 1928 beoordeelde hij Heideggers Being and Time met respect (zij het met stevige kritiek). Hij gaf zelfs wat hij later noemde "een ongewenste reeks lezingen" aan Oxford over het werk van Bolzano, Brentano, Husserl en Meinong. Maar na de oorlog verhardde zijn kritiek tot vijandigheid en in plaats van respect toonde hij spot. Het kwam tot een hoogtepunt in 1958, in Royaumont in Frankrijk. Hier werd een conferentie gehouden om een groep continentale filosofen (voornamelijk Franse fenomenologen) en hun tegenhangers uit Oxford met elkaar in contact te brengen, met als doel de kloof tussen hun twee scholen te overbruggen.
Maar alsof hij vastbesloten was de kloof te versterken, gaf Ryle een uiteenzetting met de titel "Phenomenology versus 'The Concept of Mind'", dat de titel is van zijn meest beroemde boek. Dat "versus" gaf zijn strijdlustige stemming weer. In deze paper schetste Ryle wat hij beschouwde als de superioriteit van Britse ("Angelsaksische", zoals hij het uitdrukte) analytische filosofen ten opzichte van hun continentale tegenhangers en verwierp Husserls fenomenologie als een poging om "de filosofie op te blazen tot de wetenschap der wetenschappen". Britse filosofen lieten zich niet verleiden tot dergelijke grootheidswaanzin, suggereerde hij, vanwege de Oxbridge-rituelen van de High Table: "Ik denk dat onze denkers geïmmuniseerd zijn tegen de idee van filosofie als de Meesteres van Wetenschappen, vanwege het feit dat hun dagelijks leven in de Cambridge en Oxford colleges hen in persoonlijk contact hebben gehouden met echte wetenschappers. De aanspraak op het Führerschap verdwijnt wanneer de postprandiale grappenmakerij begint. Husserl schreef alsof hij nooit een wetenschapper had ontmoet - of een grap."

Een beroep doen op het oude cliché dat Duitsers geen gevoel voor humor hebben was al erg genoeg, maar praten over "Führerschap" in een tijd waarin de herinneringen aan het nazi-regime nog rauw waren, was wel heel cru. En toch deed Ryle dat in deze paper en niet één, maar twee keer: Britse filosofen, zo luidde zijn tweede "kwinkslag", "hebben zich geen zorgen gemaakt over de vraag 'Welke filosoof zou Führer moeten worden?'" In tegenstelling tot de Duitsers, leek hij te suggereren, vertrouwden de Britten meer op logica dan op leiderschap: "De hoofdlijnen van ons filosofisch denken gedurende deze eeuw kunnen alleen volledig begrepen worden door iemand die de enorme ontwikkelingen van onze logische theorie heeft bestudeerd."

Enigszins gênant voor Ryle waren twee van de drie grondleggers van wat hij "onze logische theorie" noemde, namelijk Frege en Wittgenstein, continentalen. Maar omdat Russell en Wittgenstein beiden in Cambridge hadden gewerkt, kon hij het, bij wijze van spreken, karakteriseren als "The Cambridge Transformation of the Theory of Concepts."

gilbert ryle english philosopher oxford

Gilbert Ryle, Engelse filosoof
Het overdreven chauvinisme van een geleerde zou normaal gesproken iets zijn geweest waar de wereld van de filosofie schouderophalend om had kunnen lachen. Maar helaas was er niets gewoons aan Ryle. Hij was Waynflete Professor in de Metafysica, de oudste en meest prestigieuze leerstoel van filosofie in Oxford, verreweg de grootste Britse filosofische afdeling - en deze diepzinnige maar merkwaardig bekrompen denker gebruikte deze verheven positie om de Britse discipline naar zijn eigen evenbeeld te herscheppen. Als er één 20ste-eeuwse filosoof was die Führer-grappen zou hebben verdiend, dan was het niet een continentaal: het was Ryle zelf.

Michael Dummett, die tot aan zijn dood in 2011 Ryle's opvolger was als meest eminente filosoof in Groot-Brittannië, noemde Ryle zelfs "de Generalissimo van de Oxford filosofie". De Britse filosofie in het midden van de 20e eeuw was buitengewoon monolithisch en werd door Ryle gedomineerd. Als redacteur van Mind, zowel toen als nu het meest prestigieuze tijdschrift van de Britse discipline, van 1947 tot 1971, was Ryle in staat om sterk te beïnvloeden, en soms te dicteren, welke onderwerpen Britse filosofen bespraken en hoe zij deze bespraken. Bovendien was hij, als de aanvaarde leider van de filosofie in Oxford, in staat om persoonlijke invloed uit te oefenen op een groot deel van de filosofen die de filosofie-afdelingen bemanden van de snel in aantal groeiende naoorlogse universiteiten. De meesten van deze jonge filosofen waren afgestudeerde studenten aan Oxford, velen onder toezicht van Ryle zelf en vervolgens door hem "geplaatst". Ik herinner me dat ik, kort na mijn aanstelling in Southampton in 1992, de inaugurele lezing bijwoonde van mijn collega Tony Palmer. Een oudere collega haalde herinneringen op aan de tijd dat Tony voor het eerst was aangenomen als junior lector, zo'n 20 jaar eerder. "We hadden een vacature," vertelde hij me, "dus belde ik Gilbert en vroeg hem wie hij kon aanbevelen." Op die manier werden de filosofie-afdelingen van de Britse universiteiten bemand door wat Jonathan Rée "de luitenanten van Ryle" noemde.

Op al die afdelingen propageerden Britse filosofen Ryle's gevoel dat hij en zijn collega's filosofie bedreven op een manier die scherp brak met zowel filosofen uit het verleden als met die uit andere landen. Hun manier was de betere manier, en filosofie uit vroegere tijden en van andere plaatsen was niet echt de moeite waard om zich mee bezig te houden. Ryle's langdurige dominantie van de Britse filosofie - en zijn minachting voor wat elders ondernomen werd - had veel verstrekkende gevolgen. Maar één daarvan was de ongelukkige verwaarlozing van zijn onmiddellijke voorganger op de Waynflete leerstoel, Robin George Collingwood.
rg collingwood sailboat philosopher
© TeresaSmith/Hulton-Deutsch Collection
Aan het roer: Collingwood bestuurt een jacht op de Middellandse Zee in 1939
Een grote wat als?

Tenzij u een professioneel filosoof bent of een geleerde met betrekking tot Romeins Brittannië, heeft u misschien nog nooit van Collingwood gehoord. En toch was hij een van de interessantste Britse filosofen van de vorige eeuw. In tegenstelling tot Ryle en zijn discipelen in de analytische school, interesseerde Collingwood zich diepgaand voor zowel de geschiedenis van zijn onderwerp als het werk van filosofen van het Europese continent, waarbij hij vooral werd beïnvloed door twee Italianen, Benedetto Croce en Giambattista Vico.

Zijn intellectuele bereik was verbazingwekkend. In de filosofie als zodanig, leverde Collingwood belangrijke bijdragen aan de esthetica, de filosofie van geschiedenis, de metafysica, de filosofie van taal, en het begrijpen van de filosofische methode. Hij had belangrijke dingen te zeggen over hoe elk van deze bijdroeg aan ons begrip van onszelf. Er was een zekere overeenkomst in zijn filosofische interesses en in de geest waarin hij deze nastreefde, met de onvergelijkbaar meer beroemde Wittgenstein (een van mijn biografische onderwerpen). Buiten de filosofie verrichtte hij belangrijk werk op het gebied van archeologie en geschiedenis. Hij werd erkend als een van 's lands belangrijkste autoriteiten op het gebied van Romeins Brittannië en schreef het daaraan gewijde deel in de Oxford History of England. Daarnaast was hij een buitengewoon bekwaam musicus, een getalenteerd schilder en een begenadigd linguïst, die in staat was om Franse, Spaanse, Duitse, Italiaanse, Latijnse en Griekse wetenschappelijke geschriften te lezen. Hij schreef ook een van de meest fascinerende (hoewel beslist vreemde) autobiografieën ooit gepubliceerd. Dankzij Sartre en Derrida is een artistieke en literaire inslag gebruikelijk genoeg onder filosofen van het continent, maar veel minder evident onder de analytische school.

Verbazingwekkend genoeg bereikte Collingwood alles wat hij bereikte ondanks het feit dat hij in 1943 op slechts 53-jarige leeftijd overleed. Gezien het grote verschil tussen Ryle en hem - diep gecultiveerd, nieuwsgierig naar alles, eclectisch in zijn interesses - moet de vraag welke weg de naoorlogse filosofie in Groot-Brittannië had kunnen inslaan als Collingwood niet op deze relatief jonge leeftijd aan een reeks beroertes was bezweken, wel als één van de grote "wat als'en" van de intellectuele geschiedenis worden beschouwd. Zou de Britse filosofie misschien niet zo bekrompen zijn geworden als dat zij op een gegeven moment was en zou zij zich wellicht op veel constructievere wijze hebben verhouden tot het continentale denken?

We zullen het nooit zeker weten, maar in veel opzichten kunnen Collingwoods persoonlijkheid, opvattingen en benadering van de filosofie het best begrepen worden als het tegenovergestelde van die van Ryle. Bernard Williams beschreef Ryle als "een man met een geniaal militair voorkomen, nogal soldaatachtig in spraak en manieren," die "een beminnelijk filistinisme uitstraalde, dat tot op zekere hoogte ook oprecht was: 'Geen absoluut gehoor,' placht hij te zeggen als er over muziek gesproken werd. Het contrast met Collingwood kon niet scherper zijn. Er was niets militairs, soldaatachtigs of filistijns aan hem, en terwijl de stem van Ryle als het geblaf van een generaal was (het is te horen op YouTube), sprak Collingwood met wat een vriend beschreef als "hoge, indringende tonen". Hij had de uitstraling van een artiest, een schrijver en een geleerde, in plaats van een militair. Wat betreft een "absoluut gehoor", was hij zo'n bedreven violist dat hij er een tijdje serieus over dacht om professioneel musicus te worden.

De grondslag


Collingwoods artistieke bekwaamheden en brede intellectuele interesses kreeg hij mee van zijn ouders, William Gershom en Edith May ("Dorrie") Collingwood. Beiden waren professionele schilders en beiden hadden gaven en interesses die veel verder gingen dan de wereld van opdrachten en tentoonstellingen. Dorrie was een uitzonderlijk pianiste, die elke dag aanving met een uur Beethoven, Mozart of Chopin te spelen. Gershom was archeoloog, historicus en romanschrijver. Hij had filosofie gestudeerd aan Oxford, waar zijn leermeester de beroemde idealist Bernard Bosanquet was. Daar raakte hij goed bevriend met John Ruskin en na zijn vertrek uit Oxford reisde hij met Ruskin naar de Alpen. Hij schreef verschillende werken over Ruskin, waaronder The Art Teaching of John Ruskin en The Life and Work of John Ruskin. Ten tijde van Robins geboorte was Gershom Ruskins secretaris en woonde het gezin in het Lake District.

Toen Robin twee jaar oud was, verhuisden de Collingwoods naar Lanehead, een groot huis aan de oever van Coniston Water, dicht bij Ruskins huis, Brantwood. Lanehead bestaat nog steeds en wordt online geadverteerd als een activiteitencentrum dat kan worden gehuurd voor maximaal 35 personen, tegen een weekprijs van £3.349. Toen de Collingwoods er vanaf de jaren 1890 woonden, bood het onderdak aan Gershom en Dorrie, samen met Robin, zijn drie zusters en, naar men aanneemt, verscheidene bedienden, en betaalden zij £100 per jaar.
rg collingwood young portrait

Golden boy: RG Collingwood geschilderd door zijn moeder in 1912
Op Lanehead genoot Collingwood een idyllische jeugd te midden van een schitterend landschap, met de steun van een liefhebbende familie en de stimulans die niet alleen van zijn getalenteerde ouders uitging, maar ook van hun vele opmerkelijke vrienden. Naast de indrukwekkende Ruskin was er de beroemde schilder Edward Burne-Jones, wiens schilderij Two Angels aan de muur van hun ochtendkamer hing. Ook was er de schrijver Arthur Ransome, die Dorrie "tante" ging noemen en haar als zijn surrogaatmoeder beschouwde. Ransome's beroemdste boek, Swallows and Amazons, was geïnspireerd op de boottochtjes rond Coniston Water die hij maakte met verschillende leden van de familie Collingwood. Robin, een ervaren zeiler, leerde Ransome zeilen op de boot van de familie, de Swallow, en de kinderen in het verhaal zijn gebaseerd op leden van de Collingwood clan.

Collingwood ging pas naar school toen hij 13 was. Tot die tijd kreeg hij Latijn (vanaf zijn vierde) en Grieks (vanaf zijn zesde) van zijn vader, maar in zijn autobiografie zegt hij dat die lessen maar twee of drie uur per dag duurden: "voor de rest liet hij me aan mijn lot over." In al die vrije tijd las de jongen "alles wat ik kon vinden over de natuurwetenschappen, vooral geologie, astronomie en natuurkunde; [en leerde] stenen herkennen, de sterren kennen en de werking van pompen en sloten en andere mechanische apparaten in en om het huis begrijpen." Hij zegt dat hij "onophoudelijk schreef, verzen en proza, liedjesteksten en fragmenten van heldendichten, verhalen over avontuur en romantiek, beschrijvingen van denkbeeldige landen en schijnwetenschappelijke verhandelingen".

Er waren natuurlijk veel boeken in huis, waaronder de boeken die Gershom had gekocht voor zijn studie filosofie aan Oxford. Toen Collingwood acht jaar oud was, pakte hij zijn vaders exemplaar van Groundwork of the Metaphysics of Morals van Immanuel Kant, misschien wel de laatste naam in de geschiedenis van de filosofie die van even groot belang was voor zowel de analytische als de continentale school, en het genie dat door sommigen wordt gezien als de grootvader van de laatste.

Het lezen van dit boek zou een keerpunt betekenen in Collingwoods leven. "Ik voelde dat er dingen van het allergrootste belang werden gezegd over zaken van de allergrootste urgentie: dingen die ik koste wat kost moest begrijpen. Toen kwam de ontdekking dat hij ze niet kon begrijpen. "Het is een schande om te bekennen dat dit een boek was waarvan de woorden Engels waren en de zinnen grammaticaal, maar waarvan de betekenis mij verbijsterde." Dan, tenslotte,
"kwam de sterkste emotie van allemaal. Ik voelde dat de inhoud van dit boek, hoewel ik het niet begreep, op de een of andere manier mij aanging: een zaak voor mijzelf persoonlijk, of liever voor een toekomstige versie van mijzelf... Ik had het gevoel alsof een sluier was opgelicht en mijn lot was onthuld."
Het was niet zo dat hij toen ter plekke besloot dat hij filosoof wilde worden, maar eerder dat hem was onthuld dat hij een filosoof was.

Memoires en monumenten


Na een jaar een middelbare school te hebben bezocht, ging Collingwood naar Rugby, waar hij een beurs had gekregen. Zijn tijd daar was niet helemaal voor niets geweest. Op Rugby leerde hij bijvoorbeeld viool spelen, studeerde hij harmonie en orkestratie, en leerde zichzelf Italiaans om Dante te kunnen lezen. Maar later herinnerde hij zich de school vooral als "de varkensstal waarin wij leefden en de geur van vuiligheid die voortdurend in onze neus hing," samen met "de vreselijke verveling dat we dingen moesten leren van vermoeide, verstrooide of onbekwame meesters".

Na Rugby was "het vertrek naar Oxford alsof je uit de gevangenis werd gelaten." In zijn kamer in de Garden Quad van University College las hij "de hele dag en het grootste deel van de nacht." Hij studeerde 'Greats', een mengsel van filosofie en oude geschiedenis en verwierf een diep inzicht in beide. Tijdens de zomervakanties nam hij deel aan archeologische opgravingen, waarbij Romeinse vindplaatsen opgegraven werden. Nog voor hij afstudeerde (uiteraard met de hoogste cijfers) kreeg Collingwood een Fellowship aangeboden aan het Pembroke College, alwaar hij in 1912 begon met het geven van filosofie-bijles.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte Collingwood voor de Inlichtingendienst van de Admiraliteit, die in Kensington was gevestigd. Een van de vreemdste en meest intrigerende delen van zijn autobiografie betreft deze periode. Geschreven tegen het einde van zijn leven, is het een meesterwerk, en in tegenstelling tot enige andere autobiografie die ik ken, is het voortdurend op zijn innerlijk gericht. "De autobiografie van een man die denkt", zegt hij in het voorwoord, "zou het verhaal moeten zijn van zijn denken. Ik heb dit boek geschreven om te vertellen wat ik de moeite van het vertellen waard vind over het verhaal van dat van mij." En dus staat er maar weinig in het boek over de plaatsen waar hij heeft gewoond of de mensen die hij heeft gekend. Hij zegt bijna niets over zijn ouders, zijn zusters, zijn vrouw, of over het Lake District. Wat het boek biedt, is een verslag van hoe zijn denken zich ontwikkelde.

Dit klinkt wellicht enigszins solipsistisch, maar, deels omdat het zo goed geschreven is en deels ook omdat zijn gedachten zo diepgaand zijn, is het verhaal dat hij vertelt over de ontwikkeling ervan uiterst fascinerend. Neem zijn benadering van de logica van "vraag en antwoord", die centraal staat in zijn denken over metafysica, geschiedenis, esthetica en filosofische methode. Hij beschrijft hoe zijn gedachten daarover zich ontwikkelden tijdens zijn dagelijkse wandeling naar zijn werk in oorlogstijd door Kensington Gardens en langs het Albert Memorial, ontworpen door George Gilbert Scott, de bekende Victoriaanse architect en - toevalligerwijze - de oudoom van Gilbert Ryle.
albert memorial
© Hazel Blanchard/Flickr
Gilbert Scotts monster van een monument: welke vraag zou hij mogelijkerwijs hebben proberen te beantwoorden?
"Het Albert Memorial begon me geleidelijk aan te obsederen," schrijft hij. "Alles eraan was zichtbaar misvormd, verdorven, krioelend als ongedierte; een tijd lang kon ik het niet verdragen ernaar te kijken en liep er met afgewende ogen langs; herstellende van deze zwakte, dwong ik mezelf te kijken, en dag na dag de vraag onder ogen te zien: iets dermate overduidelijk, dermate onweerlegbaar, dermate onverdedigbaar slecht, waarom had Scott het gemaakt?"

Deze gedachten werden in Collingwood's geest verbonden met gedachten die hij al had met betrekking tot zijn archeologische werkzaamheden. Men benadert een opgraving niet, zo bedacht hij, door te zeggen: "Laten we eens kijken wat we hier kunnen vinden." Men formuleert steeds specifiekere vragen: "Was er een Flavische bezetting op deze plaats?" "Zijn deze Flavische scherven en munten slechts zwerfvondsten, of werden ze gedeponeerd in de periode waartoe ze behoren?" Enzovoort. Op deze manier hing wat men door middel van een opgraving te weten kwam "niet alleen af van wat men in de sleuven vond, maar ook van de vragen die men stelde."

Evenzo werd men, geconfronteerd met zoiets monsterlijks als het Albert Memorial, gedwongen vragen te stellen als: wat was het verband tussen wat Scott had gedaan en wat hij had geprobeerd te doen? Collingwood had kunst al sinds zijn jeugd benaderd in deze kenmerkende en onderzoekende geest, toen hij, terwijl hij zijn vader en moeder observeerde die aan het werk waren, "leerde denken aan een schilderij, niet als een afgewerkt product dat tentoongesteld werd om bewondering te oogsten... [maar] als het zichtbare verslag... van een poging om een bepaald probleem met schilderen op te lossen." In het geval van Scott, als de architect had geprobeerd iets moois te maken, dan had hij duidelijk gefaald. Maar misschien zou men tot de conclusie kunnen komen dat hij geslaagd was, als men maar kon vaststellen welk probleem dit monument precies had moeten oplossen.

Het is teleurstellend dat Collingwood deze gedachtengang niet tot het einde toe doortrekt, waardoor we achterblijven met de vraag of hij ooit een manier vond om over het Albert Memorial na te denken die niet inhield dat het als een mislukking beschouwd werd.

Een onderzoekende geest

Wat echter wel duidelijk is, is hoe belangrijk het voor hem is om de traditionele logica van "verklaringen", "oordelen" of "stellingen" te vervangen door die van "vraag en antwoord". De traditionele logica behandelt een individuele stelling als de "drager van waarheid". De meeste filosofen van de analytische school zouden Frege volgen in het beschouwen van ook de stelling als drager van betekenis. Het woord "stoel" betekent op zichzelf niets, maar de Engelse zin "het boek ligt op de stoel" heeft een betekenis: het drukt de stelling uit dat het boek op de stoel ligt (de Duitse zin, Das Buch liegt auf dem Stuhl drukt dezelfde stelling uit) en die stelling is ofwel waar ofwel onwaar.

Dit alles wordt door Collingwood verlaten. Voor hem zou men nooit kunnen hopen te begrijpen wat iemand bedoelt door alleen maar de zinnen die hij uitspreekt te bestuderen of te analyseren. In plaats daarvan moet men iets weten over de context waarin die zinnen worden uitgesproken. In het bijzonder moet men weten wat de vraag was waarop die zinnen een antwoord moesten geven. Dit verandert de manier waarop logische relaties zoals consistentie en contradictie worden begrepen. Volgens Collingwood "kunnen twee stellingen elkaar niet tegenspreken, tenzij het antwoorden zijn op dezelfde vraag."

Elke vraag bevat een vooronderstelling - de vraag "waar is mijn hoed?" bijvoorbeeld bevat de vooronderstelling dat ik een hoed heb. Collingwood onderscheidt "relatieve" van "absolute" vooronderstellingen. Veel alledaagse vooronderstellingen zijn relatief: zij kunnen zelf het antwoord zijn op een vraag en daarom kan worden aangetoond dat zij waar of onwaar zijn (ten opzichte van die vraag). In het voorbeeld hierboven is "Ik heb een hoed" een vooronderstelling van de vraag: "Waar is mijn hoed?" maar het is ook het antwoord op de vraag: "Heb jij een hoed?"

Een absolute vooronderstelling daarentegen kan niet in twijfel worden getrokken, niet omdat zij zeker waar is, maar veeleer omdat het, binnen het kader van vraag en antwoord waartoe zij behoort, geen zin heeft haar in twijfel te trekken. Dit komt omdat de veronderstelling ervan deel uitmaakt van datgene wat het hele raamwerk zijn betekenis geeft, zodat zij niet in twijfel kan worden getrokken zonder in betekenisloosheid te vervallen.

Een voorbeeld dat Collingwood hiervan geeft betreft de raamwerken (hij noemt ze "constellaties") van de Newtoniaanse, de Kantiaanse en de Einsteiniaanse manier van wetenschappelijk onderzoek. Elk van deze gaat uit van een eigen begrip van oorzakelijkheid en binnen elk van deze kan dit begrip niet in twijfel worden getrokken. Het wordt niet als waar beschouwd; het wordt eenvoudig als vanzelfsprekend aangenomen. Het is een absolute vooronderstelling. Zoals hij het stelt: "elke vraag die de vooronderstelling inhoudt dat een absolute vooronderstelling een stelling is, zoals de vragen 'Is het waar?' 'Welk bewijs is er voor?' 'Hoe kan het worden aangetoond?' 'Welk recht hebben wij om het te veronderstellen als het niet kan?' is een onzinvraag."

Zijn algemene beweringen lijken hier nauw aan te sluiten bij het beroemde begrip "paradigma" uit Thomas Kuhn's boek The Structure of Scientific Revolutions uit 1962. Nadat een wetenschappelijke revolutie heeft plaatsgevonden, zal volgens Kuhn de nieuwe theorie " onvergelijkbaar " zijn met de theorie die zij heeft vervangen, zodat het onmogelijk is de ene te begrijpen in de termen van de andere. Wat Newtons theorie bijvoorbeeld te zeggen heeft over de zwaartekracht kan niet als waar of onwaar worden begrepen binnen Einsteins theorie, omdat de twee radicaal verschillende "paradigma's" gebruiken. Collingwood was echter minder geïnteresseerd in de toepassing van zijn "vraag en antwoord" logica op de wetenschap dan in de toepassing ervan op religie, filosofie, geschiedenis en esthetiek.

Om een kunstwerk, een persoon, een historisch tijdperk of een godsdienst te begrijpen, moet men als het ware "in zijn geest kruipen", om de wereld te zien door de ogen van mensen die een andere reeks vooronderstellingen hanteren dan wijzelf. Als we anderen proberen te begrijpen door louter onze eigen vooronderstellingen te gebruiken, zullen we altijd falen. Historisch begrip, bijvoorbeeld, "is de poging om de overeenkomstige vooronderstellingen van andere volkeren en andere tijden te ontdekken." Nogmaals, als we erop staan het christendom als " onjuist " te beschouwen, zullen we het nooit begrijpen.

Voor Collingwood spelen, in tegenstelling tot filosofen naar het voorbeeld van Ryle, verbeelding en inlevingsvermogen een cruciale rol in het begrijpen. En hier hebben we misschien een verleidelijke indruk van hoe de Britse filosofie zich anders had kunnen ontwikkelen als Collingwood niet zo vroeg gestorven was en als hij het soort invloed had gehad dat Ryle verwierf. Het is zeker onmogelijk voor te stellen dat zo'n open en rusteloos onderzoekende geest het soort afwijzende verhandeling zou leveren dat Ryle in Royaumont uitbracht.

Collingwood was nagenoeg een tijdgenoot van Wittgenstein. Ze werden binnen drie maanden na elkaar geboren, en toch spraken ze bijna nooit over elkaar. Waarschijnlijk hebben zij elkaar nooit ontmoet, maar het nauwste contact, voor zover ik weet, was in 1939, toen Collingwood werd benoemd tot een van de kiesmannen die Wittgenstein's aanvraag voor de leerstoel voor filosofie in Cambridge in overweging moesten nemen. Wittgenstein vertelde een vriend dat hij bezorgd was dat Collingwood tegen zijn aanvraag zou zijn, maar, zoals later bleek, was deze bezorgdheid misplaatst. Het is mogelijk, denk ik, dat Collingwood in Wittgenstein een geestverwant zag, want de verbanden tussen zijn denken en dat van de latere Wittgenstein, de Wittgenstein van Philosophical Investigations, zijn zeer treffend.

Neem deze uitspraak uit Collingwoods Principles of Art eens in overweging "Men verwerft niet eerst een taal en gebruikt die dan. Het bezitten en het gebruiken zijn hetzelfde. We komen alleen tot het bezit ervan door herhaaldelijk en geleidelijk te proberen het te gebruiken." Vraag een filosoof wie dat geschreven heeft en hij zal vrijwel zeker raden dat het Wittgenstein moet zijn. En Collingwoods notie van een absolute vooronderstelling vertoont een duidelijke en treffende gelijkenis met de dingen die Wittgenstein zegt in On Certainty, dingen als: "de vragen die wij opwerpen en onze twijfels hangen af van het feit dat sommige stellingen zijn vrijgesteld van twijfel en zijn als het ware als een rotatie-as waaromheen die bewegen."

Ludwig Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein, filosoof
Hun gelijkenis beperkt zich niet tot wat zij zeggen, maar strekt zich ook uit tot de geest waarin zij dachten en schreven. "Mensen tegenwoordig," schreef Wittgenstein in een opmerking gepubliceerd in de bundel Culture and Value, "denken dat wetenschappers er zijn om hen te onderrichten, dichters, musici, etc. om hen plezier te verschaffen. De idee dat zij hen iets te leren hebben - dat komt niet bij hen op." Men vindt gelijksoortige opvattingen in Collingwoods werk over esthetiek.

Het heeft lang geduurd voordat Engelstalige filosofen zich realiseerden hoe groot de kloof was tussen de geest die vorm gaf aan Wittgensteins werk en die welke de analytische beweging in de filosofie tijdens Ryle's bewind kenmerkte. In de laatste decennia is de Britse filosofie echter eindelijk uit de schaduw van Ryle en zijn "luitenants" getreden. Gebieden van de discipline die door Ryle's generatie van analytische filosofen werden geminacht - ethiek, esthetica, metafysica, politieke filosofie en zelfs de geschiedenis van de filosofie - groeien en bloeien weer op, en denkers die door de Ryleaanse traditie werden genegeerd, zoals Kierkegaard, Schopenhauer en Nietszche, hebben nu hun rechtmatige plaats in de canon heroverd. Dit kan alleen maar leiden tot een rijkere filosofie. Collingwood zou door die gedachte worden opgevrolijkt. Ook hem zou nu zijn eigen rechtmatige plaats in die canon moeten worden gegund.

Zie: https://www.prospectmagazine.co.uk/magazine/how-the-untimely-death-of-rg-collingwood-changed-the-course-of-philosophy-forever-gilbert-ryle-ray-monk-analytic-continental