Eerst waren er een graafmachine en een joggende hoogleraar. Nu is er een meertje met zandstrandje bij Leusden, waar bijna elke Nederlandse universiteit zich op heeft gestort. Op zoek naar het verleden.
Hier, op landgoed Den Treek-Henschoten, was 13.000 jaar geleden een bijzonder bos, ontdekte Jos Bazelmans bij toeval. Hoe dat precies gebeurde? Het landgoed zit in zijn vaste hardlooprondje.


"Die graafmachine was hier bezig met natuurherstel", zegt het afdelingshoofd Archeologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en bijzonder hoogleraar monumentenzorg aan de Vrije Universiteit. Omdat hij daar geregeld langskwam, volgde hij de werkzaamheden. Vorig jaar juli zag hij opeens hoe een forse veenlaag was blootgelegd.

Bazelmans wijst naar een brede, zwarte grondlaag aan de overkant van het meertje. "Die laag dus." Opmerkelijk, zo tussen die witgele zandlagen, vond hij. "Daar heb ik toen twee geologen bijgehaald." Zij waren het met hem eens.

Onverklaarbaar was ook het hout dat na enig wroeten uit die veenlaag omhoog kwam. Er lag zelfs een complete boom in, zo bleek. Dat riep om nadere studie. Bazelmans: "Toen we begonnen met uitgraven, dacht ik: hoe pak ik dit aan?"

Als archeoloog weet hij natuurlijk piekfijn hoe je bijvoorbeeld de sporen van een Romeinse boerderij moet blootleggen. Maar zo'n veenlaag is meer werk voor geologen. Bazelmans: "Er was ook geen protocol. Waar moet je in zo'n geval eigenlijk precies op letten? Wat moet je bewaren, wat bemonster je en wat gooi je weg? En wat leg je wel of niet vast?" Maar vooral: wat is dit?

Oude houtresten

Vijfentwintig velddagen heeft hij er uiteindelijk in gestoken, met enkele medewerkers van de Rijksdienst. Het was alleszins de moeite waard. Verspreid over heel West-Europa zijn slechts veertien soortgelijke boslocaties bekend uit de periode tussen 14.000 en 10.000 jaar geleden.

Dat de grond hier bulkt van oude houtresten, blijkt vanmiddag binnen een paar minuten. Bazelmans kan inmiddels het landschap lezen, weet dus waar de schop de grond in moet. In no time heeft de hoogleraar opnieuw een boomstam te pakken, van een meter of twee. Het hout is donker en glimt van het vocht. Het ziet er vermolmd uit, je scheurt er ook gemakkelijk een stuk af. Hij rolt het daarom voorzichtig in plasticfolie, voor nader onderzoek in het lab.

Bij Leusden zijn zo 160 bomen blootgelegd, genoeg om een aardige indruk te krijgen van wat daar ooit was. Bazelmans heeft ze keurig ingetekend op een grote kaart. Korte en lange bomen, waarschijnlijk allemaal bij één of twee stormen uit het westen en zuidwesten omgewaaid. Daarbij zijn ze direct in veen ingebed. Nadien kwam daar heel snel een dikke laag stuifzand bovenop. De langste boom meet, van wortel tot kruin, 18,4 meter.

De meeste waren tussen de vijftig en tachtig jaar oud toen ze omwaaiden, leert onderzoek naar de jaarringen, uitgevoerd door 'hout¬archeologe' Esther Jansma van de Universiteit van Utrecht. Een tiental bomen is meer dan een eeuw oud geworden. Een keer telde ze zelfs 167 jaarringen onder haar microscoop in het laboratorium bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Goed tellen

Een enorme klus, dat tellen van die ringen, ook omdat de boomstronk daartoe geprepareerd moet worden. "Met een scheermesje maak je de bovenkant goed schoon en glad", legt Jansma uit, terwijl ze een blok uit het plastic haalt. Dat plastic moet het kwetsbare hout beschermen. "Anders zijn de ringen niet te onderscheiden. Zo breng je per dag hooguit een à twee bomen in kaart."

Die ringen bevatten voor haar een schat aan informatie, een verrijking van haar 'jaarringkalender', een methode voor het dateren van oud hout. De dikte van een jaarring zegt iets over de groeiomstandigheden en een specifieke reeks van jaar-ringen over de periode waarin bomen zijn gegroeid. "We kunnen binnen een jaarring zelfs zien hoe goed de groei in het voorjaar en najaar was en of de winter snel of langzaam ¬inviel", legt Jansma uit.

Sindsdien heeft menig wetenschapper zich gebogen over de vondst. Biologen, geologen, archeologen, bodemkundigen en dendrochronologen. Wat resulteerde in de theorie dat de bomen het slachtoffer zijn van een snelle klimaatverandering, die zich zo'n 12.900 jaar geleden voltrok. "Dan moet je denken aan een forse temperatuurval binnen een jaar. De zomertemperatuur daalde van gemiddeld zestien graden Celsius naar tien graden", zegt Bazelmans. De gemiddelde jaartemperatuur daalde tot onder nul.

De oorzaak, ook weer breed bediscussieerd, is smeltwater van de Noord-Amerikaanse ijskap. Tot dan toe stroomde dat vooral via de Mississippi-delta weg naar het zuiden. Bazelmans: "Maar het was ook opgeslagen in een heel groot meer aan de rand van de ijskap: het Agassiz-meer. Dit water brak ineens oostelijk door naar Newfoundland. En alsof je een stortbak leegtrekt, stroomde dat de Atlantische oceaan in." De natuurlijke warme golfstroom naar Europa viel daardoor stil en het effect daarvan was tot in Leusden voelbaar.

De temperatuurdaling is ook vast te stellen op basis van de vegetatie. Zo zijn in de grondlaag direct boven de Leusder bomen bladresten aangetroffen van de dwergberk, een struik die nu nog in Scandinavië voorkomt. "We denken dat het klimaat een min of meer stabiel systeem is", zegt Bazelmans. "Maar als het mis gaat, is er blijkbaar weinig tijd nodig voor ingrijpende veranderingen." In die zin bewijst het bos van Leusden wat klimaatwetenschappers tegenwoordig voortdurend betogen: de gevolgen van klimaatverandering kunnen overweldigend zijn.

Maar hoe weten we nu dat die bomen 13.000 jaar oud zijn? Jansma is weliswaar gespecialiseerd in dendrochronologie, het dateren van hout op basis van jaarringen. Maar de methode die zij daartoe ontwikkelde, gaat voor dennen niet verder dan 8000 jaar terug. Dateren via de uiterst precieze C14-methode (koolstofdatering) laat nog op zich wachten. Wetenschappers uit Groningen zijn ermee aan de slag.

Gelukkig biedt de geologie uitkomst. De zandlaag boven de subfossiele bomen is door geologen uitvoerig en vaak beschreven. Het is gewoon jong dekzand, blijkt uit de korrelvorm en - grootte.

Dit zand is tijdens de laatste fase van de laatste ijstijd hier neergedaald - en daarvan is de datering bekend. Jansma: "Deze opgraving is dus echt een project waarbij veel disciplines samenkomen."

Dramatische overgang

Onbekend is wat de mens gemerkt zal hebben van die klimaatverandering. Bazelmans lijkt dat evenwel onontkoombaar. "13.000 jaar geleden was de tijd van jagers en verzamelaars. In een bosrijke omgeving was de jacht op klein wild belangrijk. Maar de klimaatovergang was zo dramatisch en de vegetatie veranderde zo ingrijpend, dat ze zich opeens op grote prooidieren moesten richten die in kuddes leefden: rendieren."

Voor de geschatte vijf- à tienduizend bewoners van het land, was het logischer om naar het warme zuiden te trekken. Migratie is tenslotte van alle tijden. "Ik heb nog wel gehoopt dat ik bij dat graven op bewijs van menselijke nederzetting zou stuiten", zegt Bazelmans. Vuurstenen gereedschap bijvoorbeeld. Maar dat is helaas niet gebeurd. Toch, hij geeft de hoop op nieuwe wonderen niet op. "Ik heb in januari mijn loopronde aangepast. Ik liep rondjes van tien kilometer, dat is sindsdien vijftien geworden."

Je weet nooit wat dat nog oplevert.